Molens

Kruitmolen

Een kruitmolen werd vroeger gebruikt voor het maken van buskruit. Er waren rosmolens voor het maken van kruit en water- of wind gedreven kruitmolens. De kruitmolen had net als een oliemolen stampers en kantstenen op een doodbed. De stampers hadden geen ijzeren delen in verband met explosiegevaar bij vonken. De stoffen voor de samenstelling van het buskruit werden in het begin tot poeder gestampt. Later is men hiervoor kantstenen gaan gebruiken. Vervolgens werden de stoffen vochtig gemaakt en met de stampers en later met de kantstenen gemengd tot een taaie, grijze brij. Deze brij werd tot korrels of tot platte koeken geperst en gedroogd bij met leem dichtgesmeerde ovens. Het kruit bestemd voor jachtgeweren werd daarna nog gepolijst in door de molen aangedreven houten trommels.

13 stuks

In het begin van de 19e eeuw telde de Noordelijke Nederlanden dertien kruitmolens. Deze stonden voornamelijk ten oosten van Amsterdam en in de omgeving van Middelburg. De Zuidelijke Nederlanden had één kruitmolen, die in Wetteren bij Gent stond.

De molen van Houthem was de veertiende. Toen er een paar weg vielen, kreeg hij het nummer elf en heette toen officieel Kruitmolen no. 11, Prins Frederik der Nederlanden. De molens vervaardigden voornamelijk oorlogskruit en elke molen kreeg doorgaans een evenredig deel van de rijks bestellingen.

November 2016  Jan Hilverdink

De tijd van molens is voorbij

Dit keer een artikel langer van tekst dan normaal. De reden is dat er op dit moment gewerkt wordt aan erfgoededucatie lesmateriaal ten behoeve een pilot voor de Deldense basisscholen. Dit gebeurt onder aanvoering en initiatief  van CuBaHof (Gemeente Hof van Twente). De Noordmolen is een van erfgoederen die bezocht gaan worden door leerlingen van groep 6/7.

Het bijgaande (ingekorte) artikel vond ik bij het vergaren van informatie voor lesmateriaal over erfgoededucatie. In 2007 werd ook al aangegeven dat het belangrijk is om belangstelling voor erfgoed te “kweken”.

Deel van een artikel uit Olieslagersgilde, Olienoot 10 2007. (Auteur Frank Terpstra)

“De tijd van de molens is voorbij. Even onmerkbaar als de 13 eeuwen molengeschiedenis is begonnen kwam haar einde. Ruim een eeuw geleden begon voor de molens de strijd om het voortbestaan. Een halve eeuw later was die strijd uitgestreden en verloren. Sindsdien behoren de molens tot de geschiedenis en zijn het monumenten geworden’….’ M.i. is het niet mogelijk het vroeger geldend waarderingspeil toe te passen op het tegenwoordige molenrestant. Te duidelijk is het einde van de molengeschiedenis gepasseerd’… (Anton Sipman 1975)

Anno 2007 denken het ambacht van de vroegere molenaar letterlijk levend te kunnen houden, is gestoeld op een kinderlijk sprookje. Hetzelfde geldt voor het ambacht van de molenmaker. Ten eerste is de productie van molens tegenwoordig volstrekt irrelevant. De vraag is er niet meer en dat betekent dat je zal uitkomen op een gekunstelde, soms zelfs kolderieke vraag. Ten tweede geldt, dat de kunde, het ambacht, dat we tegenwoordig uitoefenen nooit exact hetzelfde zal kunnen zijn als vroeger, om de simpele reden dat alle relevante aspecten die het vroegere leven – en dus ook het vroegere ambacht – hebben bepaald onmogelijk kunnen worden nagebootst. Wij leven ten opzichte van de vroegere molenaar en molenmaker in een volstrekt onvergelijkbare wereld en context.    De molens produceren niet primair een product meer.

I Molen

De kernactiviteit van molenbehoud is het behouden van de collectie monumentale molens. Notie krijgen van de cultuurhistorische waarde van de objecten waarover het gaat is een eerste vereiste. Deze waarde wordt bepaald door de aspecten informatiewaarde, kenmerkende, zeldzaamheid en gaafheid.

Een molen is bepaald door zijn geschiedenis. Dezelfde geschiedenis heeft bepaald welke molens er niet of deels niet meer zijn. Historisch materiaal dat weg is, is voorgoed weg.

II Mensen

Het ging vroeger bij een molen primair om het bedrijf, de functie waartoe de molen diende. In het desbetreffende productieproces moest men werken om de kost te verdienen en toevallig ging dat met een molen. Met de introductie van de vrijwillig molenaar zijn alle vroegere molenaars op één hoop gegooid. De per regio voorkomende molentypen bieden echter een natuurlijk uitgangspunt voor de benodigde nieuwe opleidingsarrangementen voor startende vrijwillig molenaars. Er is ook geen stimulans ter verdieping, nadat men vrijwillig molenaar is geworden.

Alles in één keer weten kan niet en is niet goed.

Het aspect mensen gaat veel verder dan de vrijwilligers die in hun vrije tijd molens laten draaien. Daarmee kunnen we de molens nog niet behouden en daarmee maken we de molenaar te belangrijk.

Er zijn namelijk ook voldoende gekwalificeerde bouwhistorici, cultuurhistorici en restauratie vaklieden nodig.

Bestuurlijk zal de molenwereld vakinhoudelijk sterker moeten worden. Aan de vrijwillig molenaar worden eisen gesteld. De vrijwillig bestuurder van een stichting die beslist over het instandhoudingsbeleid is in veel gevallen een leek. De managers cultuur, die overal doordringt in de maatschappij, dient voornamelijk korte termijn belangen. Er is een reveil nodig van deskundigheid. Opportunistische prietpraat dient tegengas te krijgen!

III Maatschappij

Molens zijn blijvend dure kostgangers. Veelal wordt gemopperd op restauratieachterstanden. Het consequent afstemmen van de technische uitvoeringsprogramma’s op nog aanwezige cultuur- en bouwhistorische waarden is van nog groter belang.

Er is structureel meer geld nodig, maar met geld alleen is het molenerfgoed niet gered! De regelgeving rond subsidieregelingen is juridisch en administratief complex.

Met het voortschrijden van de tijd, komen molens echter steeds verder af te staan van het Nederland van alle dag. Een uitdaging waarvoor het molenbehoud staat, is het verkrijgen van inhoudelijke waardering bij een breder publiek. Daarbij zal tegelijk geaccepteerd moeten worden, dat niet iedereen molen geïnteresseerde is.

Binnen het erfgoed vormen molens slechts een beperkte categorie. Daarom is het goed om bredere verbanden aan te gaan en inhoudelijke linken te leggen naar andere erfgoeddomeinen. De molen is immers bepaald door zijn cultuurhistorische context.

IV Molenbiotoop

De biotoop werd aanvankelijk louter vanuit windvang en wateraanvoer beredeneerd. Gelukkig is hierin de laatste tijd een kentering waarneembaar. De culturele biografie van de molenbiotoop maakt deel uit van de geschiedenis en is onvervangbaar, net als de molen zelf.

Tot besluit

Passie voor het molenmonument zou voor het toekomstige molenbehoud de basis moeten vormen. De bestaande instituten – van monumentenzorg, via molenvereniging tot molenaarsgilde – zijn geen doelstelling op zich, maar een middel met ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Het molenbehoud heeft behoefte aan inspirerende visies, die in relatie tot erfgoed in bredere zin dan molens, invulling geven aan toekomstig beleid.

Hoogwaardig molenbehoud vraagt creatieve inzet van alle beschikbare kennis en voortschrijdende inzichten.

Laat de vrees van Anton Sipman niet bewaarheid worden!

Juni 2016  Jan Hilverdink

Houtzaagmolen

Cornelis Corneliszoon van Uitgeest of Krelis Lootsje (Uitgeest, ca. 1550 – ca. 1607) was de uitvinder van de houtzaagmolen. Door middel van het toepassen van een krukas in een windmolen werd een draaiende beweging omgezet in een op- en neergaande beweging. Hiermee werden de zaagbladen aangedreven en konden op grote schaal en met grote precisie machinaal planken gezaagd worden. De uitvinding heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de economische opbloei van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17e eeuw. (Gouden Eeuw)

De enige nog werkende houtzagerij in Nederland die door waterkracht wordt aangedreven staat in Denekamp, op het Landgoed Singraven.

De molen wordt van water voorzien door de rivier de Dinkel, deze  meandert naar Denekamp vanuit Duitsland en voert bijna altijd water. De waterkracht wordt niet alleen ingezet om het zaagraam met de zagen te laten bewegen, maar ook om de boomstammen naar binnen te trekken en door het zaagraam heen te trekken.

De watermolen van landgoed Singraven is elke zaterdagmiddag van april t/m oktober te bezoeken.

Zie voor meer info: http://www.waterradmolens.nl/Overijssel/Singraven.htm

April 2016   Jan Hilverdink

Oudste watermolen

Een van de oudste door water, van de rivier de Jeker, aangedreven molen is de Bisschopsmolen in Maastricht. De molen dateert uit de zevende eeuw. De huidige naam heeft de molen in de elfde eeuw gekregen toen de eigenaar van de molen, hertog Godfried van Bouillon, een deel van zijn bezittingen, waaronder de molen, ter financiering van zijn eerste kruistocht verpachtte aan de bisschop van Luik. Daarbij was de bepaling opgenomen, dat de verpande bezittingen aan de bisschop zouden toekomen als de hertog niet van de kruistocht zou terugkeren. Toen de hertog, die ongehuwd en kinderloos was, in 1099 in Jeruzalem aan zijn verwondingen bezweek, kwam de molen aldus in bezit van de Bisschop van Luik en werd deze vanaf die tijd Bisschopsmolen genoemd.

In 1442 werd de molen eigendom van het Maastrichtse Brouwersgilde van de Armentafel van de Heilige Geest. Via diverse eigenaren in de loop der tijd is de molen tot 1920 verkocht aan de Gemeente Maastricht.

In 2004 is molen gerestaureerd en sinds 2005 weer in gebruik voor het malen van spelt. Elke dag wordt er speltgraan gemalen, dat van de boeren uit de omgeving wordt betrokken. De molen levert maalproducten aan de Gulpener Bierbrouwerij, die deze onder andere gebruikt voor het brouwen van Korenwolfbier. De molen is te bezoeken voor een rondleiding, in de molen zijn verder een bakkerij en een kleine eetgelegenheid gevestigd.

Zie voor meer info: www.maastrichtexcursies.nl/rondleidingen/rondleiding-oudste-watermolen-in-nederland/

Maart 2016 Jan Hilverdink

Panorama Dresden

 

Panorama Dresden met watermolen

In een oude gashouder in de Saksische stad Dresden is een panorama ingericht vergelijkbaar met panorama Mesdag in Den Haag.

Dit Dresden panorama met de naam Panometer geeft als het ware een luchtfoto van de stad omstreeks 1700 met activiteiten gedurende dag en nacht. Op een groot rond doek is de stad geprojecteerd en afgedrukt. Na het beklimmen van een 15 meter hoog uitzichtplateau heb je het gevoel alsof je een vogel bent die boven de oude stad hangt. Dresden licht aan de rivier de Elbe en in het panorama zie je, kijkend in oostelijke richting aan de noordkant van de Elbe een watermolen.


Schipmolen aan de Elbe


Uitzicht op de Elbe met links de schipmolen

Molens waren noodzakelijk voor voedselvoorziening en andere activiteiten en vele zijn verdwenen  met de komst van stoommachine en elektriciteit. We moeten het doen met schilderijen en andere afbeeldingen om een indruk te krijgen van de ligging van deze historische ambachtelijke werkplaatsen. De Panometer laat zeker indrukken achter. Zeker voor liefhebbers van watermolens.

Februari 2016  Wiendelt de Lange 

Eikenschors

Schorsmolen

Een schorsmolen (ook runmolen, eekmolen of barkmolen) is een molen die werd gebruikt om eikenschors, ook wel eekschors of bark genoemd, fijn te malen tussen de molenstenen. Van deze gemalen schors werd run gemaakt, door er water aan toe te voegen. Dit bevatte looizuur. Het werd gebruikt voor het looien van leer.

Run

Run (of eek genaamd) bleek ook zeer geschikt te zijn voor het zogenoemde tanen van scheeps- en molenzeilen en werd aanvankelijk op grote schaal gebruikt. Dit gebeurde om de zeilen te beschermen tegen verrotting omdat deze veel met water in aanraking kwamen. De zeilen kregen door deze bewerking een roodbruine kleur. De “bruine vloot” is tegenwoordig nog een begrip en herinnert ons aan deze roemrijke periode.

Eekschillen

Het hele gezin, met vaak een plaggenhut als tijdelijke behuizing, werkte hieraan mee. Men begon vroeg in het voorjaar met het eekschillen, omdat dan de sapstromen in de bomen opgang kwamen, waardoor de bast makkelijker te verwijderen was. Vooral in het voorjaar met zijn wisselende weersgesteldheid was de productie van eek  nogal verschillend.


Eekschillers in de buurt van Nunspeet

Het was zwaar werk en de eekschillers liepen vaak twee tot drie maanden rond met bruin/zwarte handen, omdat de eekstof diep in het vel getrokken was. Het verdween pas na verloop van tijd door uitslijten.

Bewerken schors

Na het werk in de bossen werd het schors verzameld. De schors, holle pijpjes van twintig, dertig centimeter lengte, werd gedroogd op een open terrein (windvang). De schors moest volkomen droog zijn, omdat vochtige schors moeilijk te vermalen was of raakte door het vocht beschimmeld waardoor het moeilijk te verkopen was. De van schors ontdane eindjes eikentak vormden het zogenoemde talhout, dat o.a. dienst deed in palingrokerijen, of men maakte er gewoon het vuur mee aan. Alleen de rijke mensen konden zich dergelijk brandhout veroorloven. Veelal werd er mee gevent. Dit talhout werd per tal verkocht. Een tal eikentakken is honderd stuks.

De voorgedroogde schors werd verkocht aan de molenaars in de omgeving. De runmolenaar hield het aangeleverde product goed in de gaten. Hij kon bij het storten van de schors al direct horen of deze goed droog was. Ter controle brak hij vaak een stukje doormidden en dit moest ter goedkeuring dan een krakend geluid geven.

Molensteen Het Hert Putten

Drogen en vermalen

In de schuren van de eekmolens werd de schors opgeslagen en in spaanders gehakt. Wanneer de eikenbast kurkdroog was, werd deze tussen een tweetal stenen vermalen. Dat kwam erg precies, aangezien de schors zeer fijn gemalen moest worden om het meeste profijt van de looistof te krijgen. Bij het malen kwam veel bruin poeder vrij. Het malen van gedroogde eikenschors was dan ook erg vuil werk. Vaak kon je een molenaar herkennen aan zijn gebruinde uiterlijk veroorzaakt door de bruine stofdeeltjes. Volgens menig molenaar zou het een goed middel zijn tegen verkoudheid, maar een gezonde arbeid was het zeer zeker niet. De stukjes schors werden op speciale stenen gemalen met een grover scherpsel. In de loper was een erg groot kropgat aangebracht om de toevoer van het maalgoed, dat vrij grof was, te vergemakkelijken. Bovendien zorgden vrij grote openingen in de loper (de zgn. “zwelgaten”) verder voor een vlotlopende toevoer. Men maalde vaak met Duitse stenen en het billen van zo’n koppel runstenen was een uiterst moeilijk karwei.

Januari 2016  Jan Hilverdink

De “Heren” uit de oliemolen te Makkum

 

Deze twee, uit hout gesneden manspersonen van ongeveer een halve meter hoogte, hadden een eigenaar­dige taak, namelijk te waarschuwen wanneer een hoeveelheid oliehoudend zaad voldoende was uitgeperst en vervangen moest worden door een nieuwe hoeveel­heid.

Dit ging als volgt in zijn werk:

Het oliehoudend zaad werd eerst gekneusd en verwarmd op zogenaamde voes­ters (vuisters), stookplaatsen, overdekt met een ijzeren plaat, waarop het te verwarmen zaad werd uitgespreid. Na deze voorbewerking werd een bepaalde hoeveelheid zaad in een wollen lap gewikkeld en deze weer beschermd door een leren zak, opgevuld met paardenhaar. Nu werden twee van deze bundels aan weerszijden van een houten wig in twee holten geplaatst. Dan zette men het molenwerk in beweging en met donderend geweld sloeg een houten, verticaal geplaatste, balk de wig omlaag. Hierbij kwamen de bundels oliehoudend zaad danig in de ver­drukking en zweetten hun olie uit, die door de wollen lappen in daaronder ge­plaatste pannen liep. Het kwam er nu op aan de wig niet meer slagen te laten geven dan nodig was, enerzijds om tijd te besparen, anderzijds om de wig niet al te muurvast te slaan. Om deze wig weer omhoog te krijgen, liet men het mo­lenwerk op een contra-wig hameren, die de andere wig dus opwaarts sloeg.

Wig lossen

Wanneer deze wig weer los was komen te zitten, zorgde de veerkrachtige paar­denharen vulling van de leren zak er voor, dat het afgewerkte zaad met de wollen lappen gemakkelijk te verwijderen viel en door een nieuw pakket te vervangen. Hoe vlugger dit ging hoe beter natuurlijk.

Aantal slagen op de wig

Al naar gelang de aard van het oliehoudende zaad stelde men het aantal slagen vast, dat de wig moest hebben vóór het molenwerk uit te schakelen. Dit varieerde meest van 20 tot 30 slagen. Om nu de knecht het tellen te besparen, had men een vernuftig mechaniek uitgedacht, dat men kon verstellen en na een bepaald tal slagen waarschuwde, dat het zaad voldoende was uitgeperst.

Bel en poppen

In de Makkumer molen ging dit nu zo, dat een pal bij elke slag iets naar beneden schoof, om bij de laatste slag tenslotte geheel uit te schieten en een touw met een bel aan te trekken. Aan dit touw zat tevens vast een beweegbaar lichaams­deel van de bewuste twee houten poppen. Deze poppen zijn natuurlijk niet tege­lijk in gebruik geweest, maar elkanders opvolgers. De oudste pop lijkt blijkens de klederdracht – een deftig gerokte man met een driekante steek op het hoofd – al dadelijk in de molen te zijn aangebracht bij de bouw in 1764. Na het vallen van de laatste slag deed deze heer de lange pijp uit de mond.

Door het vele waarschuwen heeft genoemde heer tenslotte zijn arm met pijp ver­loren, terwijl de houtwurmen het aanbrengen van een nieuwe arm niet mogelijk maakten. Hij kreeg toen een opvolger, eveneens een eerbiedwaardige heer, die na de laatste slag zijn hoed afnam. Deze houten heer schijnt omstreeks 1813 te zijn aangesteld; zijn voorganger kreeg echter een welverdiende rust in het kantoor van de Kingma’s, om nu samen met zijn op­volger het Museum in Sneek te bewaken. Deze opvolger zou gemaakt zijn door een zekere Govert Kuiper te Makkum.

Meer info http://www.kingmakkum.nl/

December 2015  Jan Hilverdink

Windkorenmolen versus stoomgraanmaalderij

Als molenaar ga je, indien je in de gelegenheid bent, op andere plekken in Nederland en ook daarbuiten wel eens een molen bekijken. Meestal zal dat dan een windmolen zijn omdat er daar meer van zijn dan water aangedreven molens. Wat mij dan opvalt is dat er veel windmolens na 1856 gebouwd zijn. Dit is natuurlijk met een reden gebeurt. Maar waarom toch nog met wind aangedreven “werktuigen” en niet d.m.v. stoom, om meestal graan/koren te malen.

Stoommachine

De industriële revolutie was toen al in volle gang. De eerste stoommachine (eerste atmosferische ofwel vuurmachine) werd 1776 in ons land in werking gesteld in de oude kruidtoren bij de Oostpoort te Rotterdam, teneinde water uit de stadsgrachten in Schielands hoge boezem te pompen. De eerste industriële stoommachine werd in 1826 in een wollenstoffen fabriek in Tilburg in gebruik genomen. In 1836 waren er in Nederland al 72 stoommachines in werking en niet alleen meer in de fabrieken maar ook in schepen, mijnen en vanaf 1839 in locomotieven. Vergeleken met België liepen wij ver achter, in 1838 waren hier  zelfs al 1244 stoommachines in gebruik.

Opheffing van de belasting op het gemaal

  1. Een reden waarom er na 1856 veel korenmolens gebouwd werden was dat de belasting op het gemaal is afgeschaft. Deze belasting op het malen van koren/graan werd ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) ingesteld om de kosten van de oorlog met Spanje te financieren. De belasting gold niet alleen voor het broodgraan, maar ook voor graan dat voor het bierbrouwen werd gebruikt. Gebroken graan dat als dierenvoeder diende, werd veel minder hoog belast.
  2. Al eerder in 1798 kwam er een einde aan het windrecht en het recht van molendwang, tijdens de Bataafse republiek (Franse tijd in Nederland).

Er werd direct na de opheffing van de belasting op het gemaal maar sporadisch een “korenmolen” (graanmaalderij) gebouwd aangedreven door een stoommachine. De omstandigheden voor stoom waren nog niet gunstig te noemen in 1856. Denk b.v. aan de aanvoer van de brandstof, kolen en/of turf. Ook de aanvoer van de zware machinerieën was een hele operatie. Daarbij kwam natuurlijk dat er kennis nodig was om deze machines te bedienen en te onderhouden. Hiervoor moesten mensen opgeleid worden, dat kost tijd en geld.

De graanmaalderij moest zich hoofdzakelijk beperken tot de productie voor de lokale markt, daar transport van graan en meel over langere afstand moeizaam verliep. Op het platteland had de graanmaalderij daardoor vaak het karakter van een monopolie.

Geringe winstmarges plaatsten zowel wind- als stoommolenaars nogal eens voor problemen. De stoomtechniek bracht in dit opzicht, direct na 1856 geen betere perspectieven. De stoommolenaars noemden ook zelden kostenvoordelen of hoger economisch rendement als reden om hun stoombedrijf op te richten.

Er kwam pas een kantelpunt toen er op grotere schaal geproduceerd kon worden (beter vervoer en meer afzet), toen had de stoommachine de concurrentieslag met de windmolen gewonnen.

Augustus 2015  Jan Hilverdink

De ontwikkeling van de molen

De oprichting van de Stichting Beheer Noordmolen Twickel, met als voorloper de werkgroep Noordmolen wordt in mei 2015 herdacht en gevierd. In de aanloop naar het 25-jarig jubileum wordt in het Hofweekblad een serie artikelen over de Noordmolen worden geplaatst. Ditmaal de geschiedenis van de watermolen.

Door de eeuwen heen

De ontwikkeling van de molen weerspiegelt eeuwen aan menselijke cultuur. De ontwikkeling begon in de Oudheid met de wrijfsteen, de handmolen en de door dieren in beweging gebrachte molen. De korrels werden gemalen of fijngestampt. De neolithische boerengemeenschappen maakten intensief gebruik van één van de oudste uitvindingen van de Homo sapiens: het malen. Tijdens een archeologisch onderzoek werd een vulkanische rotssteen gevonden uit de periode van tussen 70.000 en 40.000 voor Chr. Dit zou wel eens de oudst bekende molensteen kunnen zijn. Op deze grote leisteenplaat werd oker geplet en gemalen. Dat blijkt uit de groeven en sporen van kleurstof op het oppervlak. We weten dat oker werd gebuikt als kleurstof voor onder andere de rotsschilderingen van Lascaux.

Oudste molensteen?


Dit beeldje stelt een Egyptische vrouw voor die graan vermaalt met behulp van een wrijfsteen.

 

Vorenstaande is deels ontleend aan de website van het bakkerijmuseum: www.bakkerijmuseum.nl/

Ook in Overijssel zijn maalstenen aangetroffen bij archeologische opgravingen. Onder meer in het Archeologisch Depot in Deventer liggen enkele zeer oude vondsten van wrijfstenen en handmaalstenen.

Rond 6.000 voor Christus wreef men de tarwekorrels fijn tussen twee stenen. Eén steen was uitgehold, hierop plaatste men een andere steen en zo werden de korrels tot poeder verbrijzeld. Hier van afgeleid is de handmolen die is ontstaan in het begin van onze jaartelling. De handmolen (queerne) of roterende molen bestond uit twee stenen, rond van vorm. Hierin werd het graan tussen een vaste (onderste steen) en een draaibare (bovenste) molensteen van ongeveer 30 cm doorsnede fijn gemaakt. Deze stenen worden ook de ligger en de loper genoemd. De Romeinse uitvinding hiervan stamt uit de 1e eeuw voor Chr.

Water- en wind- en rosmolens

De ontwikkeling van wind- en watermolens riep al in de Romeinse tijd een nieuw beroep in het leven: dat van mulder of molenaar. Molens aangedreven door slaven of dieren. Als een paard of ezel werd ingezet zijn we gaan spreken van rosmolens. In Rome trad de watermolen in werking en de arbeid werd uiteraard op slag heel wat lichter.

De Griekse geograaf Strabo (64 voor Chr. – 20 na Chr.) vermeldt voor het eerst een watermolen voor het malen van graan, die Romeinse soldaten in het paleis van Koning Mithridates van Pontus (Anatolia, nu Turkije) zouden hebben gezien. Romeinse ingenieurs verbeterden het schepbord, het tandrad en het wiel dat de kracht diende over te brengen op de as van de molensteen en daarmee het prestatievermogen.

watermolencomplex Barbegal

Het Romeinse Rijk had veel graan nodig voor de voedselvoorziening van legionairs en steden als Rome en Arlas. Bij Arlas in Frankrijk hebben archeologen recent het Romeins ‘industrieel’ watermolencomplex Barbegal gevonden, 16 bovenslagraderen dreven evenzoveel maalstenen aan. De meelfabriek maakte productie op grotere schaal mogelijk met minder menselijke inspanning.

Het was al bekend dat de Romeinen meesters waren in wat  we nu watermanagement noemen.

Aquaducten met een verval van 30 – 40 cm per kilometer,  badhuizen en loden leidingen voor drinkwater. Er wordt wel  beweerd dat de instorting van het Romeinse Rijk is  veroorzaakt door hersenverweking bij de senatoren, die loodvergiftiging opliepen.

Verspreiding watermolens

De Romeinen hebben bijgedragen aan de verspreiding over het Romeinse Rijk, dat tot bij de Rijn zijn noordelijke grens, de Limes kende. Het heeft ettelijke jaren geduurd eer de watergraanmolens zich een plaats wisten te veroveren naast de door slaven of dieren bewogen molens. De minder snelle verbreiding der waterradmolens moet voor een groot deel toegeschreven worden aan het feit, dat handqueernen en rosmolens overal geplaatst konden worden, terwijl men – wat de watermolens betreft – steeds afhankelijk was van de aanwezigheid van stromend water. In Engeland zijn bij de door de Romeinen aangelegde wal van Hadrianus fragmenten van onderslagraden, benevens complete maalstenen ontdekt van een drietal watermolens uit de 3e eeuw, mogelijk uit het laatst der 2e eeuw.

Lijn- en olijfolie

Olie werd al in het oude Egypte gebruikt. Net als linnen, waarvan we weten dat in de graven van farao’s resten zijn gevonden. Boeren verbouwden het vlas, waarvan de stengels werden gebruikt om linnen te verkrijgen; fijn, bijna transparant linnen voor de rijken en farao’s en grof linnen voor de boeren en de gewone mens. Het winnen van lijnolie is dan ook niet ondenkbaar voor de oude Egyptenaren; maar daarvan zijn geen harde bewijzen. Dat olie werd geperst in het Midden-Oosten blijkt onder meer uit de Bijbel, waar meerdere keren olijfolie te sprake komt. Of toen al van een oliemolen zoals op onderstaande afbeelding gebruik werd gemaakt vertelt de Bijbel ons niet.

 

Voor de verspreiding van watermolens naar Oost-Nederland moet meer gedacht worden aan  Merovingen en Karolingen. We hebben het vaak over de donkere middeleeuwen, de tijd na de Romeinen van 400 tot 700 na Christus. Recent onderzoek toont aan dat die periode een relatief welvarende tijd was, waarin de Romeinse technologie niet alleen werd gebruikt maar ook verbeterd.

In een volgende deel van deze serie zal de ouderdom van de Noordmolen worden behandeld.

14 januari 2015  Artikel De Noordmolen III in Hofweekblad

De molenaars van de Noordmolen 

 

Molens in en om Delden

In de loop der eeuwen hebben in het voormalige richterambt Delden verschillende molens gestaan. Een paar zijn gelukkig nu nog geheel of gedeeltelijk intact en laten we er voor zorgen dat ze voor ons nageslacht bewaard blijven.

Stadsmolen

In de stad Delden heeft een windmolen gestaan. Op een plaats, genoemd ‘de Molenberg’, t.o. de voormalige Synagoge aan de Noordwal, stond de stadskorenmolen, waarover één van de Schepenen der stad Molenmeester was. Een akte in het huisarchief van Twickel uit 1423 vermeldt het bestaan van een windmolen binnen de stadswal van Delden.

Eschmolen

De eerste windmolen gebouwd door Twickel, op de Deldeneresch moet van hetzelfde type zijn geweest als de molens die Jacob van Deventer in 1560 op zijn plattegrond van Delden tekende: een standerdmolen. De standerdmolen was het oudste houten type windmolen in Nederland. Vlak ernaast stond op het grondgebied van Stad Delden een tweede molen, in 1549 gebouwd door het stadsbestuur. In 1640 kwam deze Nieuwe Molen in eigendom van Twickel.

Eekmolen

In de tweede helft van de zeventiende eeuw trad een zekere specialisatie op. De Nieuwe Molen ging naast rogge steeds vaker eikenschors malen en werd daarom in het vervolg aangeduid als de Eekmolen. Eikenschors was een restproduct van de houtteelt op Twickel. Van de gemalen schors werd looizuur gemaakt dat werd gebruikt bij het conserveren van leer. De molenaar van de Eekmolen leverde het looizuur onder meer aan het schoenmakersgilde van Delden dat indertijd langs een deel van de stadsgracht een gezamenlijk looiersbedrijf had. De zaken gingen zo goed dat de Nieuwe Molen in 1732 werd omgebouwd tot een echte eekmolen. In hetzelfde jaar werd ook de oude Eschmolen vernieuwd en omgebouwd tot een achtkantige grondzeiler voor het malen van graan. Beide windmolens zijn inmiddels  verdwenen.

Op deze kaart van Jacob van Deventer uit 1560 is duidelijk te zien dat de twee Deldense windmolens op een soort standaard stonden. Het gebouwtje naast de windmolens stelt een zogeheten rosmolen voor. Dat is een molen die door paarden werd aangedreven.

Rosmolen

Er heeft aan de Molenstraat vlak bij de windmolens ook nog een rosmolen gestaan , zie plattegrond Jacob van Deventer.

Stoommolen

Vlakbij de Eschmolen (Molenstraat 59) bouwde Twickel in 1892 een kleine stoommaalderij zodat de molenaar niet meer afhankelijk  was van de wind, maar dat was uitstel van executie. In1908 werd de stoommolen buiten bedrijf gesteld en omgebouwd tot woonhuis.

Veldmolen

De oudste vermelding van een derde windmolen in de buurtschap Deldeneresch dateert uit 1708. Dit betreft de korenmolen die bekend stond als de Veldmolen. Deze molen verrees in de nabijheid van de tegenwoordige Wienersluis in het Twentekanaal. Aan de Sluisstraat staat nu nog een boerderij genaamd de Veldmolen.

Houtzaagmolen

In 1771 liet Carel George van Wassenaer een vierde windmolen bouwen als aandrijving voor een houtzagerij annex graanpellerij. Het bedrijf schakelde in 1883 over op stoomkracht waarna de bovenbouw met de wieken werd gesloopt. De elektrificatie van de molen start in het najaar van 1921 en wordt het jaar daarop voltooid. In 1989 heeft de “Stichting Beheer Houtzaagmolen Twickel” het beheer en het onderhoud overgenomen, daarbij gesteund door een groep enthousiaste vrijwilligers.

November 2014  Jan Hilverdink

Watermolen De Oldemeule  (Oele)

Zeker sinds de 14e eeuw bevindt zich in Oele een watermolen. De huidige watermolen, De Oldemeule aan de Oelerbeek, dateert uit 1690. Van oorsprong was de molen een dubbelmolen, aan weerzijde van de beek stonden een oliemolen en een korenmolen. De oliemolen is in 1880 buiten werking gesteld en omstreeks 1900 afgebroken. Halverwege de jaren 1980 is geprobeerd de oliemolen te reconstrueren, maar het initiatief is gestrand. De molen is een onderslagmolen, het water stroomt met kracht tegen de schoepen van het rad waardoor het gaat draaien. In droge tijden had de beek te weinig water om de molen draaiende te houden en daarom was aan de korenmolen een bovenslagrad als hulprad toegevoegd. Een dergelijk rad kan bij minder watertoevoer nog werken en daardoor kon het maalseizoen gerekt worden. Bij een bovenslagrad valt het water bovenop het rad in de bakvormige schoepen. Het gewicht van het water doet het rad draaien. Dit rad is niet meer aanwezig.

De molen is tegenwoordig eigendom van Twickel en is in 1979 weer maalvaardig opgeleverd door de gemeente Hengelo.

Juni 2014   Jan Hilverdink

De watermolen in Lage, Duitsland

Al zeker sinds 1270 was er sprake van een watermolen in Lage. Herman van Saterslo en zijn erfgenamen kregen de molen in leen. Er worden o.a uitgaven vermeldt in 1494 voor verbeteringen aan het dak van de slotkapel en aan de molen. In 1576 kreeg Dietrich von Ketteler, aan wie de Spaanse koning Philips II het kasteel van Lage met al zijn bezittingen en vele rechten, verpand had, het recht om een watermolen in bedrijf te houden. Het huidige molengebouw werd in 1677 gebouwd door Adolf Hendrik van Raesfelt. In de loop der jaren werd het meermaals gerestaureerd.

Uitbreiding met oliemolen

De korenmolen werd in 1761 uitgebreid met een oliemolen. De Laagse molen was toen een geduchte concurrent van de molens in Neuenhaus en Uelsen. De rentmeester van de graaf van Bentheim verbood zijn boeren een tijdlang de „buitenlandse“ molen in Lage te gebruiken. Deze oliemolen was nog tot 1920 in bedrijf. Daarna gebruikte men één molenrad om met behulp van een dynamo, elektrische stroom op te wekken.

Overstromingen

De Dinkel was vroeger een veel grotere rivier dan het huidige beekje. Dikwijls werd het dorp door hoogwater overstroomd. In 1932 werd daarom een omleiding in de Dinkel gemaakt die aan de oostelijke kant van het dorp stroomt. Omdat de waterstand in de “oude” Dinkel soms niet meer hoog genoeg was om de beide waterraderen aan te drijven, werd de molen uitgerust met een dieselmotor. Rechts van de molenbrug zijn twee balken in het water te zien, die in de winter als ijsbreker dienen om beschadigingen aan de molenraderen te voorkomen.

De molen beschikt ook nog over een aalvang. De korenmolen was in bedrijf tot 1957, het jaar waarin de laatste molenaar Jan Hoedt overleed. Tussen de molen en de kerk staat de voormalige molenaarswoning waarin, enkele jaren geleden, een theeschenkerij werd gevestigd.

Maart 2014  Jan Hilverdink

De Valk in Leiden

Draaien voor de Prins

Deze uitdrukking is afkomstig uit de tijd dat Leiden werd belegerd door de Spanjaarden (1574). Toen Leiden de kant van de Prins van Oranje koos, omsingelden de Spanjaarden Leiden. Niemand kon de stad meer in of uit. Door de stad hermetisch af te sluiten wilde de belegger Leiden dwingen zich over te geven. De voedselvoorraden raakten op en daardoor leden de Leidenaren honger. Toen het voedsel op was lieten de Leidenaren de molens toch draaien om de vijand te laten denken dat er nog voldoende voedsel in de stad aanwezig was. De uitdrukking wordt onder molenaars ook heden ten dage nog gebruikt als de molen draait zonder dat er gemalen of geslagen wordt.

December 2012  Jan Hilverdink