Noordmolen

1

 

 

Molenstenen Noordmolen

In de Noordmolen zijn in totaal zes stuks molenstenen aanwezig, waarvan er drie nog gebruikt worden. Dit zijn de kollerstenen (kantstenen) en de ligger welke dienst doen op de kollergang.

Verder liggen er in de vloer van de molen twee stuks maalstenen van de helaas afgebroken korenmolen die aan de overzijde aan de beek heeft gestaan. Dan ligt er ook in de vloer nog een gebroken ligger (1741) van de huidige oliemolen.

Molenstenen hebben, afhankelijk van de toepassing, verschillende vormen en zijn op een andere manier bewerkt.

Maalstenen

In een korenmolen wordt het graan tot meel vermalen of gebroken door middel van twee (een koppel) molenstenen of maalstenen. Het scherpsel tussen de stenen kan, afhankelijk van het te malen product, verschillende patronen hebben. Voor het uitzetten van een nieuw scherpsel op een steen wordt een houten mal gebruikt. Het opnieuw scherp maken van een steen noemt men het billen van een molensteen. De stenen zijn voorzien van een rond gat, waardoorheen de steenspil steekt. De ronddraaiende steen, de zgn. loper, heeft aangrijpingspunten (meestal vier of twee, soms drie) voor de rijn die hem met de steenspil verbindt.

Stenen met zwelggaten

Koekenstenen hebben zwelggaten om de brokken van de lijnkoeken tussen de stenen te krijgen. Ook eekstenen hebben vaak zwelggaten om de fijngehakte eikenschors tussen de stenen te brengen.

Pelstenen

Het pellen gebeurt meestal op twee naast elkaar liggende koppels pelstenen. Een pelsteen heeft geen ijzeren banden, omdat een pelsteen met de zijkant de gerst pelt, over een metalen plaat met gaatjes die als een soort van rasp werkt. Ook is er geen scherpsel aanwezig, maar enkel een aantal ‘waaikerven’ om wind in het maalkoppel te genereren.

Kollerstenen

Kollerstenen van een oliemolen hebben vierkante gaten en onderscheiden zich daarmee van de andere molenstenen, die een rond gat hebben. Kollerstenen rollen over een vlakke ligger, waarbij ze door middel van wrijving de zaden openbreken.

Oktober 2014  Jan Hilverdink

anker

 

 

Vreemde snoeshaan bij Noordmolen

De Noordmolen kent een kleurrijke fauna. De grote gele kwikstaart is een trouwe bezoeker en broedt vrijwel onder het dak, en zo nu en dan is een ijsvogel te zien. Enkele weken geleden werd het uitzicht vanuit Gods Window nog mooier met een zwanenpaar en 5 jongen in de molenkolk. Maar zo zout als op deze donderdag hebben de molenaars het nog niet vaak gegeten.

Donderdag 10 september was de Noordmolen open voor het jaarlijks bezoek van leerlingen van het Coornhert Lyceum uit Haarlem. Het was fraai zomerweer en de oliemolen trok veel publiek. Daaronder een vreemde snoeshaan, eerst liep die als een kip zonder kop rond de molen en later dook ie op in de molenkolk. De in het water gedoken snoeshaan werd opgevist door een andere medespeler, die hem vervolgens over de brug droeg.

Het bleek te gaan om een filmopname voor een aanstaand bruidspaar. Of hier sprake was bruidegom en bruidegom is niet bekend.

September 2015.

anker

 

 

Molenaars vlassen op olie

BEZOEKERSPRAAT:

“Wat is het hier prachtig! En wat malen ze hier?”

“Jong, ze maalt hier geels nich, zee maakt lienöllie.”

 “Lijnolie?”

  “Waarvan maken ze dat dan?”

 “Van vlas,doar wordt öllie en linnen van emaakt. Joa, iej sloapt tusken ’t vlas, heur.”

 “Vreemde naam lijnolie voor een olie die van vlas komt!”

 

Naam lijnolie

Zoals wij tegenwoordig alles verengelsen, zo hebben wij de lijn van lijnolie van de Romeinen overgenomen. Die noemden vlas linum. Maar ze waren net als wij hoor, want zij hadden het woord (λινον=linon) van de Grieken gehoord.

Vlassoort

De lijnolie, die de Noordmolen produceert wordt uit vlas gewonnen. Voor een commerciële productie wordt bij voorkeur olievlas gebruikt. Dit vlas behoort tot dezelfde soort als vezelvlas. Het verschilt van vezelvlas -in de eerste plaats bestemd voor het maken van linnen – doordat het kort is en sterk vertakt. Olievlas bevat ca. 40% olie en vezelvlas ca. 33%. Bij het telen van olievlas is een hoge zaadopbrengst uiteraard van groot belang.

Productieproces

De productie van lijnolie gebeurt in 3 stappen, die onder normale bedrijfscondities elk ongeveer 20 minuten duren.

De kollergang

Op de kollergang  moet het zaad door de 2 kollerstenen, die elk meer dan 1000 kg wegen, allereerst gekneusd worden, dus niet gemalen, om de olie uit het zaad te kunnen persen. Tijdens het kneuzen voegt men vaak wat water toe, hoewel dit ten koste gaat van de kwaliteit van de olie. Het water wordt deels opgenomen in het  gekneusde zaad en neemt de plaats van olie in. De olie laat zich nu makkelijker winnen.

De vuister

Vervolgens wordt het zaad op onze kachel, vuister genoemd, onder roeren verwarmd. Vroeger werd de vuister met heideplaggen of turf gestookt. Rondfietsend in Twickel heeft u wel gemerkt dat de heide nagenoeg verdwenen is. We stoken nu vaak met hout uit Twickel. Het roeren is om verbranding van het zaad tegen te gaan. De olie zou daardoor een bruinzwarte ongewenste kleur krijgen.

Ook op de vuister speelt het water een rol. Door verdamping zorgt het voor een betere warmteverdeling en geeft een goede aanwijzing over de temperatuur van het zaad. Bovendien kan het water veel warmte opnemen waardoor het zaad langer op temperatuur blijft. De molenaar heeft meer tijd voor de volgende stap. Wij verhitten zolang tot het water begint te verdampen.

Het olieslaan

Wanneer het zaad warm genoeg is wordt dit via de 2 trechters van de vuister in zakken (buulen) gedaan. De zakken worden in de kamers van de slagbank, lade genoemd, geplaatst om de olie eruit te slaan. De molenaar spreekt van slaan niet van persen.

De naam Olieslager komt van dit deel van een oliemolen. Dit slaan gebeurt met behulp van een wigvormige slaghei. Het lossen gaat met de loshei. Zonodig wordt na lossen een plankje (schei) naast de slaghei geplaatst om bij het slaan nog meer druk op de buulen te kunnen  zetten. De olie loopt via de onderkant van de lade in potten. In de buulen houdt men de lijnkoek over. Wederom wordt de molenaar geholpen door het weinige water. Dit zorgt ervoor dat men mooie koeken krijgt.

Appelpotten

Wil men de lijnkoeken verwerken tot lijnmeel dan worden deze in de appelpotten fijn gestampt. Deze potten heten zo vanwege hun vorm. Dit lijnmeel werd ook wel nogmaals geslagen om er nog meer olie uit te halen, nadat het eerst opnieuw was verwarmd.

Bezoekerspraat:

“Tjonget, jonge, wat een werk voor zo’n beetje olie”.

”Ach man, heanige dinge. Vrogger hadden de leu de tied”.

”Krek, wa’j zejt! We zijn als mulder graag in de olie”.

 

Bron: De Noordmolen XII in Hofweekblad
Maart 2015  De molenaars van de Noordmolen

anker

 

 

“Oelerbeek” aandrijvende kracht van de Noordmolen

Oelerbeek

Ergens in de middeleeuwen (omstreeks 1200) was er een ondernemende geest die dacht, “waar kan ik een watermolen bouwen aan de Oelerbeek in/bij Delden”. Om watermolens te laten draaien, pasten onze voorouders een klassieke techniek toe, een stuw met een schut bouwen in een beek om het water op te stuwen.  Zo ontstond dan voldoende verval om een waterrad te laten draaien. Maar in het slechts flauw geaccidenteerde land van dit deel van Twente, kon molenaanleg niet ‘zomaar even’ gepleegd worden. De vereiste voorzieningen zijn daarvoor ingewikkeld en van ingrijpende aard voor het landschap, vooral bovenstrooms van de molen, waar het voortaan met een kunstmatig verhoogd waterpeil te leven had.

Verleggen beekloop

Beter was het om tegelijkertijd de beekloop in het gebied voor de molen te verleggen naar een hoger gelegen terrein, zodat er in het zogeheten molenpand meer water kon worden gebufferd zonder dat het lage deel onder water kwam. In het geval van de Noordmolen werd de bedding van de Oelerbeek ter hoogte van het latere hotel Carelshaven opgeleid en tussen dijken door in een rechte lijn naar de “Noordmolen” verlegd. Tevens werd benedenstrooms de molen de “Azelerbeek” sterk verdiept. Het molenpand is het gebied langs de beek waarin het water wordt opgestuwd om voldoende verval te krijgen.

Hoogteverschil, omvloed

Hierdoor ontstond voldoende hoogteverschil om een onderslag molen te kunnen laten draaien; hiervoor is minstens 1,5 à 2 meter verval noodzakelijk.

De oude bedding bleef gewoon bestaan en kreeg daarna de functie van “omvloed”, zoals dat werd genoemd. Deze omvloed diende om het overtollige water af te leiden als er in het molenpand voldoende voorraad was opgeslagen. Dat is de reden dat er in het gebied tussen Delden en de Noordmolen tot de dag van vandaag twee “Oelerbeken” zijn: een oude en een nieuwe. De oude bedding liep voor het huidige Twickel langs, om de Noordmolen heen en daarna als Azelerbeek verder in de richting van Zenderen.

Scheepvaart

In het midden van de zeventiende eeuw ontstond in Delden een tekort aan turf. Daarom besloten de inwoners van het stadje en de boeren van de Deldeneresch om deze brandstof per schuit uit Vriezenveen te laten komen. De weg over Almelo was ’s winters zo modderig en ’s zomers zo mul dat aan vervoer met paard en wagen niet te denken viel. Vandaar dat de markenrichter van de Deldeneresch in 1642 de opdracht kreeg om een plan uit te denken voor het bevaarbaar maken van de Azelerbeek. Toen het plan klaar was, moest iedereen mee graven. Want allemaal hadden ze belang bij de aanvoer van turf. Zowel de boeren van de Deldeneresch als de burgers uit Delden.

 

H.J. van der Wyck (omstreeks 1776)

 Haven bij Noordmolen

Door het bevaarbaar maken van de Azelerbeek konden de turfschepen voortaan tot in de kolk van de Noordmolen komen. Daar werd de lading overgeladen in karren die de vracht naar de plaats van bestemming vervoerden. Na enkele jaren nam het transport over de Azelerbeek zo sterk toe dat de passage van de molenkolk een steeds groter knelpunt werd. Daarom liet Adolf Hendrik van Raesfelt bij de watermolen op zijn kosten een sluis maken die breed en diep genoeg was om de schepen te laten passeren. De sluis kwam naast de Noordmolen te liggen, in de zogeheten omvloed, de oude Oelerbeek.

Haven bij Schipper Arend

Voor de passage van schepen en houtvlotten inde Van Raesfelt sluisgeld. Via de omvloed konden de schepen voortaan door het weidegebied voor het huis Twickel naar de Averinksbrug in de Hengelosestraat varen.

Naast deze brug, die de grens markeerde tussen Stad en Ambt Delden en die nu nog net binnen de bebouwde kom van Delden ligt, stond destijds een schippersherberg. Dit blijkt onder meer uit een aanduiding op de kadasterkaart van 1832. Naast de Averinksbrug staat hierop een pand met de naam Schipper Arend. Het haventje bij herberg Schipper Arend is later gedempt en vormt nu de voortuin van de villa naast de brug, de voormalige Jeugdherberg. (’t Iemenschoer). De tuin ligt wat lager dan het maaiveld, hetgeen aan de aanwezigheid van het haventje herinnert.

Het pand van Schipper Arend is gesloopt en sinds 1880 staat er de boerderij genaamd Bruggeman. In 1772 is de oude bedding van de Oelerbeek vanaf Carelshaven tot aan de Noordmolen deels gekanaliseerd en gebruikt als eerste stuk van de Twickelervaart. Over de geschiedenis van de Twickelervaart is al veel bekend en daarom zal in deze artikelenreeks hieraan weinig aandacht worden besteed.

 

Bronnen: Twickel 2013 (Aafke Brunt, Jan Haverkate, Lucia den Ouden) en Molens Mulders Meesters (H. Hagens)

04-02-2015 De molenaars van de Noordmolen.

anker

 

 

De draai van de Noordmolen

Hoe oud?

Een vraag, die door mensen die de Noordmolen bezoeken, vaak wordt gesteld is: “Hoe oud is deze molen?” Een lastige vraag. Het blijkt namelijk moeilijk om met zekerheid het jaar van de bouw te noemen. Wanneer je dat probeert te achterhalen kom je vaak de kreten  “waarschijnlijk” en “het is mogelijk dat” tegen. De Noordmolen wordt in de loop der eeuwen een aantal malen genoemd, maar of  men het dan over een korenmolen, oliemolen of beide heeft is niet duidelijk.

De Noordmolen dateert in elk geval van voor 1347, want in een akte, bewaard in het archief van Twickel, staat dat Berent van Hulsger in 1347 de Noordmolen behorende tot de goederen van het huis Eysinc aan Hermannes van Twiclo heeft verkocht. Jan Jans spreekt van een korenmolen. De namen worden dikwijls op verschillende manieren gespeld. Zo is deze Berent ook Berend van Hulscher, van Hulsger en van Hulscher. Zo kennen de namen Eysink en Twickel eveneens meerdere spellingen.

Archief Bisschop van Utrecht

In het bisschoppelijk register van 1325-1336  wordt gesproken over “de twe Noertmolen ghelegen in de Kerspel Delden.” Hieruit zou men kunnen opmaken dat er in die tijd al een dubbele molen was. Anderen betwijfelen dit en denken dat het een tweede molen in de buurt betreft.

In de molendatabase staat als bouwjaar 1347. Daar wordt gesproken van twee molens. Men zou kunnen aannemen dat het een olie- en een korenmolen betreft, maar Jan Jans vermeldt  dat de oliemolen in 1611 voor het eerst met name wordt genoemd.

Ja, het wordt de huidige molenaar wel moeilijk gemaakt om met zekerheid te zeggen wanneer de molen gebouwd is.

Internet

Met naspeuringen op internet moet men voorzichtig zijn. Veel sites nemen de teksten van elkaar met fouten over. Zelfs bij het zoeken onder rijksmonument. Onder nr. 507621 is de Noordmolen op Deldeneresch in 1347 gebouwd.  Maar … de molen komt ook voor onder nr. 7545 en ligt dan in Azelo, en is industrie- en poldermolen met bouwjaar 1325. Op www.drimble.nl staat de molen als industrie- en poldermolen vermeld en bevindt zich in de plaats Deldeneresch en wijk Hengevelde. Heeft hier iemand met molentjes gelopen?

Korenmolen

Wat we bijna zeker weten is dat de korenmolen tot 1825 dienst heeft gedaan, hoewel een andere bron 1820 vermeldt. De korenmolen is rond die tijd afgebroken, daar deze door de industriële ontwikkelingen onrendabel was geworden.

Oliemolen

Ook de oliemolen raakte in verval. Wel is er in 1830 een volledige demontage geweest, maar  hij  heeft daarna door concurrentie niet lang meer dienst gedaan. De molen kon op één dag ca. 40 l olie  produceren, terwijl een fabrieksmatig proces  in die jaren wel 10.000 l haalde.

Buitenwerk

Het buitenwerk werd in 1917 weggehaald, terwijl de molen zelf nog wel een opknapbeurt kreeg om hem als monument in stand te houden. Een kadesteen met inscriptie “Renovatum 1917” herinnert daaraan.

Binnenwerk

Het binnenwerk is steeds blijven liggen, ook toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers als opslagplaats voor munitie werd gebruikt. Een geluk bij een ongeluk, want toen Twickel in 1976 de molen weer molenvaardig wilde maken hoefde men niet allerlei constructies te bedenken. Alleen de wateras moest vervangen worden. Geholpen door overheid, de Vrienden van Twickel en serviceclubs kon de molen in 1990 weer draaien.

In 2006 was er opnieuw onderhoud aan molenrad, kademuren en brug. Daarnaast moest er vanwege de Arbowet een molenhuis komen. Dit “Möllnhoes” is zo veel mogelijk met oude technieken opgebouwd. Deze renovatie vond plaats met Europese subsidie (Leader+ project).

Momenteel wordt  boerderij “De Olieslager” gerenoveerd.

Een unieke plek is dan hersteld. Molenaars en bezoekers zullen er hun draai blijven vinden!

Artikel De Noordmolen IV in Hofweekblad

Januari  2015  De molenaars van de Noordmolen

anker

 

 

25 jaar vrijwilliger Noordmolen

De Noordmolen daterend uit de 14e eeuw of wellicht nog eerder is in mei 1990 weer in werking gesteld. De oprichting van de Stichting Beheer Noordmolen Twickel, met als voorloper de werkgroep Noordmolen wordt in mei 2015 herdacht en gevierd. In de aanloop naar het 25-jarig jubileum zal in het Hofweekblad een serie artikelen over de Noordmolen worden geplaatst.

Serie artikelen

De aandacht zal in deze  serie onder meer uitgaan naar de geschiedenis van het malen van graan en persen van olie, de opkomst van de watermolen in de Romeinse tijd, de geschiedenis van de Noordmolen van Twickel,  de ligging van de molen aan een internationale verkeersweg: de Handelsweg, en de uitdagingen die de bouwers moesten aangaan. De geschiedenis van de Noordmolen is zo denken wij, nauw verbonden met het landgoed Twickel, maar is die binding er wel altijd zo geweest?? Ter Kuile acht het in zijn boek De Twentsche watermolens waarschijnlijk dat watermolens in eerste aanleg zijn gesticht door de landheer of de marken. In mei 1347 kocht Herman van Twicklo “Huize Eijsink” en de aan de Azelose beek liggende Noordmolens van de herenboer (edelman) Berend van Hulscher. De koopakte is in het archief van kasteel Twickel bewaard gebleven; daarin is sprake van Noordmolens. In het Bisschoppelijk register van 1325-1336 komt de Noordmolen voor als leengoed: “….Gerryt van Bevevoerde hout…. de tiende over die twee Noertmolen, etc.”

Delden en omgeving

De vroegere bewoners/landheren van Delden en omgeving  hebben ook aan “watermanagement” gedaan; zo was er de noodzaak van een omvloed, vistrappen, vaarwegen, sluis en havens. En hebt u wel eens gehoord van het mysterie van de twee beken? Ook de strijd om het water tussen boeren en molenaars zal behandeld worden. De oliemolen verwerkt op traditionele wijze lijnzaad tot lijnolie; eerder werden ook andere plantaardige oliën van huttentut en hennep gewonnen. Lijnolie als “bijproduct” van vlas / linnen werd gebruikt voor vele doeleinden, vooral ter conservering van hout, linnen zeilen en touwen. Maar ook in verf door bijvoorbeeld beroemde schilders uit de Gouden eeuw, Ruysdael en Hobbema. Aan een van hen wordt een pentekening van de Noordmolen toegeschreven.

2e wereldoorlog

In de 2e wereldoorlog hebben Duitse troepen de molen gebruikt als munitieopslagplaats. De bruggen, stuwwerk en het molenhuis werden in 1977 hersteld en met financiële hulp van de Rotary Delden-Borne werd in 1984 het waterrad teruggeplaatst.  Na restauratie in 1989 van het binnenwerk kon de molen in 1990 weer in werking worden gesteld. Landgoed Twickel draagt zorg voor de instandhouding van de Noordmolen.

De “Stichting Beheer Noordmolen Twickel”, die de molen van Twickel huurt, heeft de opdracht de oliemolen te laten werken. Vrijwilligers houden de molen draaiende en geven de bezoekers graag uitleg over het oude ambacht van olieslager en alles wat met lijnolie heeft te maken. (Zie voor openingstijden en groepsafspraken buiten openingstijden: www.noordmolen-twickel.nl).

9 watermolens Twente

Het is uniek dat deze watermolen is behouden. Van de ruim 100 watermolens in Twente zijn er nog 9 over. De Noordmolen is door zijn bijzondere ligging aan 2 waterwegen en middenin de prachtige bossen van Twickel meer dan een bezoek waard. Ook na ruim 700 jaar.
Het 25 jarig bestaan van de Stichting zal op passende wijze aandacht krijgen met onder andere een wedstrijd voor olieverfschilders met als thema “De Noordmolen van binnen en van buiten”.

December 2014 De molenaars van de Noordmolen

anker

 

 

Activiteiten 25 jaar vrijwilligers Noordmolen

In mei 2015 bestaat de “ werkgroep vrijwillige molenaars” 25 jaar. Dat jubileum willen wij niet ongemerkt laten passeren. Op vrijdagmiddag 8 mei willen wij met alle genodigden, die ons een warm hart toedragen, het glas heffen.

Bovendien staat er een tentoonstelling van schilderijen met de Noordmolen als onderwerp op stapel. Uiteraard moeten dat olieverf schilderijen zijn, omdat wij voor vele amateur-en beroepsschilders leverancier zijn van lijnolie.

In het Hofweekblad zal medio december a.s. over deze schilderwedstrijd een en ander nader worden uiteengezet. Het bestuur van de Stichting Beheer Noordmolen zal voor de beste/mooiste schilderijen prijzen beschikbaar stellen.

Vanaf begin december a.s. zal om de 14 dagen een artikelenreeks over de Noordmolen verschijnen.

Daarin vertellen wij over:

  • de geschiedenis van het malen en persen
  • de geschiedenis van watermolens
  • de geschiedenis van de Noordmolen
  • de waterlopen en beken bij de Noordmolen
  • de Handelsweg, die langs de Noordmolen liep
  • de lijnolie en andere oliesoorten die geslagen worden/werden

Tot mei 2015 en misschien ook nog daarna publiceert het Hofweekblad deze krantenartikelen, waarin de lezer opvallende en interessante wetenswaardigheden tegen komt. (Zie Hofweekblad, indien u niet over de krant beschikt).

Dus: lees het Hofweekblad en breng een bezoekje aan de Noordmolen;
wij zijn elke zondagmiddag van 12.- tot 16.- uur geopend, slaan lijnolie en geven tekst en uitleg.

December 2014 De molenaars van de Noordmolen. 

anker

 

 

Molens in en om Delden

In de loop der eeuwen hebben in het voormalige richterambt Delden verschillende molens gestaan. Een paar zijn gelukkig nu nog geheel of gedeeltelijk intact en laten we er voor zorgen dat ze voor ons nageslacht bewaard blijven.

Molen Stad Delden

In de stad Delden heeft een windmolen gestaan. Op een plaats, genoemd ‘de Molenberg’, t.o. de voormalige Synagoge aan de Noordwal, stond de stadskorenmolen, waarover één van de Schepenen der stad Molenmeester was.

Deldeneresch

Een akte in het huisarchief van Twickel uit 1423 vermeldt het bestaan van een windmolen binnen de stadswal van Delden. De eerste windmolen gebouwd door Twickel, op de Deldeneresch moet van hetzelfde type zijn geweest als de molens die Jacob van Deventer in 1560 op zijn plattegrond van Delden tekende: een standerdmolen. De standerdmolen was het oudste houten type windmolen in Nederland. Vlak ernaast stond op het grondgebied van Stad Delden een tweede molen, in 1549 gebouwd door het stadsbestuur. In 1640 kwam deze Nieuwe Molen in eigendom van Twickel.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw trad een zekere specialisatie op. De Nieuwe Molen ging naast rogge steeds vaker eikenschors malen en werd daarom in het vervolg aangeduid als de Eekmolen. Eikenschors was een restproduct van de houtteelt op Twickel. Van de gemalen schors werd looizuur gemaakt dat werd gebruikt bij het conserveren van leer. De molenaar van de Eekmolen leverde het looizuur onder meer aan het schoenmakersgilde van Delden dat indertijd langs een deel van de stadsgracht een gezamenlijk looiersbedrijf had. De zaken gingen zo goed dat de Nieuwe Molen in 1732 werd omgebouwd tot een echte eekmolen. In hetzelfde jaar werd ook de oude Eschmolen vernieuwd en omgebouwd tot een achtkantige grondzeiler voor het malen van graan. Beide windmolens zijn inmiddels  verdwenen.

Oude kaart

Op deze kaart van Jacob van Deventer uit 1560 is duidelijk te zien dat de twee Deldense windmolens op een soort standaard stonden. Het gebouwtje naast de windmolens stelt een zogeheten rosmolen voor. Dat is een molen die door paarden werd aangedreven.

Er heeft aan de Molenstraat vlak bij de windmolens ook nog een rosmolen gestaan , zie plattegrond Jacob van Deventer.

Vlakbij de Eschmolen (Molenstraat 59) bouwde Twickel in 1892 een kleine stoommaalderij zodat de molenaar niet meer afhankelijk  was van de wind, maar dat was uitstel van executie. In 1908 werd de stoommolen buiten bedrijf gesteld en omgebouwd tot woonhuis.

Veldmolen

De oudste vermelding van een derde windmolen in de buurtschap Deldeneresch dateert uit 1708. Dit betreft de korenmolen die bekend stond als de Veldmolen. Deze molen verrees in de nabijheid van de tegenwoordige Wienersluis in het Twentekanaal. Aan de Sluisstraat staat nu nog een boerderij genaamd de Veldmolen.

Houtzaagmolen

In 1771 liet Carel George van Wassenaer een vierde windmolen bouwen als aandrijving voor een houtzagerij annex graanpellerij. Het bedrijf schakelde in 1883 over op stoomkracht waarna de bovenbouw met de wieken werd gesloopt. De elektrificatie van de molen start in het najaar van 1921 en wordt het jaar daarop voltooid. In 1989 heeft de “Stichting Beheer Houtzaagmolen Twickel” het beheer en het onderhoud overgenomen, daarbij gesteund door een groep enthousiaste vrijwilligers.

Bron: Twickelblad

November 2014  Jan Hilverdink

anker

 

 

Recht “Molenwater”

In de vorige eeuwen deden zich diverse kwesties voor over het gebruik van “molenwater”.

B.v. in 1725 klaagde de Graaf van Wassenaar Heer van Twickel, samen met Georgh van Munckhuisen tot de Olde Meule, beide bij monde van Wolter Pothoff, enkele boeren aan, die bovenstrooms vloeiwater aan de beek onttrokken. Het waren Lucas Reef, Hinrick Bruininck en Berent Roelvinck.

In 1747-1751 ging het over het recht van schuttentrekken. De stad van Delden had het recht  om de schutten van de molens in het laatste van Maart te mogen weghalen, en te brengen op de Meijers Hofte van Delden. De Hofmeijer diende op St. Lambert de schutten weer aan te brengen.

Op 30 oktober 1751 werd een overeenkomst gesloten tussen Unico Wilhelm Grave van Wassenaer Heere van Twickel &&&, en de burgemeesters en gemeensluiden van Delden, waarbij bepaald werd, dat, waar tot dusver de data van weghalen en brengen van de molenschutten nooit precies hadden vastgestaan, deze nu op 25 maart van elk jaar zouden worden gebracht op huize Twiçkel en dat deze op St. Lanberti d.i. 1 september weer zouden worden terugbezorgd en ingezet.

Bron: Molens Mulders Meesters   H. Hagens

Oktober 2014  Jan Hilverdink

anker

 

 

Brandstof voor de vuister

In vroegere jaren gebruikte de molenaar voor de vuister (een soort kachel in een oliemolen), plaggen die niet branden maar smeulden, zogenaamde ‘hondenplaggen’, ook ‘turfschadden’ genoemd, die de bovenlaag van een veengebied vormden.

Op de vuister staat een bodemloze pan met daarin het meel (gekneusd lijnzaad) dat van de kollergang komt en dan verwarmd wordt tot ongeveer 40 graden Celsius. Door het verwarmen wordt de olie al iets dunner en kan zo beter uit het meel geslagen worden. Tegenwoordig gebruikt de molenaar hout om de vuister te verwarmen, dat eerst gezaagd, gekloofd en daarna gedroogd moet worden.

In het voorjaar  zijn de molenaars van de Noordmolen drukdoende geweest om een voorraad hout aan te leggen die genoeg is om de eerste jaren de vuister warm te houden.

Brandstof voor de vuister

September 2014   Jan Hilverdink

anker

 

 

NAP Peilmerk

Het Normaal Amsterdams Peil (meestal afgekort tot NAP) is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland, Duitsland, Noorwegen, Zweden en Finland worden gerelateerd. Voor het gemak wordt het NAP vaak gelijkgesteld aan het gemiddeld zeeniveau. Om als referentiepunt te dienen heeft men in Nederland een NAP-net opgezet. Dit NAP-net bestaat uit ongeveer 35.000 zichtbare peilmerken, meestal bronzen boutjes met het opschrift NAP, aangebracht in kaden, muren, bouwwerken. De onderlinge hoogteverschillen tussen de peilmerken wordt nauwkeurig vastgelegd. Deze peilmerken dienen als uitgangspunt bij de bepaling van de hoogte van waterstanden, maaivelden en bouwwerken.

Een van deze peilmerken (tot1984 in gebruik) zit in de westmuur van de Noordmolen, met de volgende gegevens uit 1984:
– hoogte NAP: 15,534 m+NAP
– jaar van meting: 1984
– orde van waterpassing en stabiliteit: bouthoogte, vanaf de rechtergevel -134 cm en hoogte boven maaiveld 50 cm.

Augustus 2014 Jan Hilverdink