De Noordmolen van Twickel, verkeersknooppunt

De Noordmolen van Twickel, verkeersknooppunt.

In de lommerrijke bossen van landgoed Twickel bij Stad Delden ligt op een van de rustieke plekken de Noordmolen. Een oud industrieel / ambachtelijk monument. In deze tijden een rustpunt voor wandelaars en fietsers, in vroeger tijden een trefpunt van lokale boeren en herkenningspunt voor reizigers en marskramers.

zompenschuit Noordmolen

De Noordmolen is gelegen op een voormalig ‘verkeersknooppunt’.

huis twickel en delden

Over de oude postweg trokken verse paarden de postkoets (op de markt in Stad Delden werden de paarden verwisseld in het huis met de posthoorn) langs de Noordmolen naar Borne en vervolgens via Oldenzaal naar Hannover. Van die route maakten ook de Hanzekooplieden, Kiepenkerle, Tödden/marskramers en Hollandgänger gebruik. De weg naar Almelo ligt in de buurt evenals de waterwegen Twickelervaart en Oelerbeek.

De Noordmolen draait op water uit de Oelerbeek, een beek met oorspronkelijk weinig verval. Om het waterrad in beweging te zetten en zeker te zijn van voldoende waterpeil werd de bedding van de Oelerbeek naar hoger terrein verlegd.

Sluis

Adolf van Raesfelt, heer van Twickel, liet omstreeks 1650 naast de Noordmolen een sluis aanleggen in de omvloed, waarmee overtollig water uit de Oelerbeek om de watermolen werd heen geleid. Door die omvloed, de verlegde Oelerbeek, konden de zompschippers doorvaren tot vlak bij de stad Delden.

Twickelervaart

Graaf Carel wilde een nog betere waterweg en liet in 1772 de Twickelervaart graven van Delden naar de Regge. Daarbij werd gebruik gemaakt van de al aanwezige omvloed. De Noordmolen staat vermeld in een register 1325 – 1336 van de bisschop van Utrecht en wordt geduid in de akte gedateerd 1347 waarmee Herman van Twickelo het huis Eijsinc, het latere Twickel koopt. Er zijn aanwijzingen dat de molen van ruim een eeuw daarvoor dateert.

Twickelervaart

Oude bewoners

Langs de noordkant van Stad Delden rond de Deldener es liggen eeuwenoude boerderijen. Vroege bewoners van onze streken, genoemd naar de trechterbeker vestigden zich zo’n 4000 jaar voor Christus op hoger gelegen gronden in de nabijheid van stromend water. Op kleine akkers op de es werden oude granen en gewassen verbouwd en op de natte gebieden veeteelt bedreven. Niet ver van de Noordmolen liggen enkele tumuli, grafheuvels, waar latere bewoners in de bronstijd hun doden begroeven.

Nog latere bewoners vestigden zich in een löshoes. Lange tijd waren boerderijen in hoofdzaak zelfvoorzienende gemeenschappen van hardwerkende gezinnen van 2 of 3 bij elkaar inwonende generaties en eveneens inwonende knechten en meiden. Eigen graan, boekweit, vlas, groenten en slachtvee voorzagen in de levensbehoeften. Eigengereid linnen en wol van eigen schapen werden gebruikt voor kleren. Het graan werd ter plekke tot meel gemalen en watermolens namen het handwerk van de rosmolen en vijzel over. Van vlas maakte men niet alleen linnen, ook een deel van het zaad werd gebruikt om lijnolie te winnen. Lijnolie werd gebruikt om gebruiksgoederen te conserveren; raapolie om boekweitpannenkoeken te bakken en voor de olielampen. Vanwege de ouderdom van enkele erven nabij de Noordmolen kan worden aangenomen dat deze olie- en graanmolen al voor de 12e eeuw is opgericht.

Ouderdom Noordmolen

Van de Noordmolen is ook een oudere bronvermelding bekend in verband met een huis Norden, waaraan de molen zijn naam zou hebben te danken. Hoe het ook zij, de Noordmolen maakt deel uit van een oude cultuur en was lange tijd een onmisbaar werktuig voor de vroegere landbouwers in de buurt. Water aangedreven molens werden door de Romeinen geïntroduceerd en hebben geleidelijk aan verspreiding verkregen naar onze streken. Aan de beek ligt ook de Oldemeule in Oele en stroomafwaarts bij erve Graas heeft een kleine watermolen gestaan, waarvan fundamenten werden gevonden bij de aanleg van de A35. Ooit telde Twente zo’n 100 watermolens; elke buurtschap had er wel een en soms ook had een boerderij een molen voor uitsluitend eigen gebruik. In 2013 zijn nog 9 watermolens over. Nu beroemde schilders uit de Gouden eeuw, als Ruysdael en Hobbema zagen ook de schoonheid van het Twentse landschap en de daarin aanwezige watermolens. Van Jacob van Ruysdael zijn enkele schilderijen bekend van de burcht in Bentheim. Hij is op zijn reis naar Bentheim ongetwijfeld via de handelsweg langs de Noordmolen getrokken. Onderstaande pentekening, in het bezit van het Rijksmuseum wordt aan hem toegeschreven.

Verval Noordmolen

Geleidelijk aan verloor de Noordmolen zijn functies. De graanmolen die tegenover de huidige Noordmolen heeft gestaan, kreeg concurrentie van windmolens en is in de 19e eeuw afgebroken. Toen de stoommachine en nadien de elektromotor op meer efficiënte olie konden persen werd olieslaan met een watermolen niet meer lonend. De ene watermolen na de ander verdween en in 1825 werd de Noordmolen gesloten. Wat niet gebruikt wordt raakt in verval, zo ook de Noordmolen ondanks een restauratie in 1917.

Restauraties

In de jaren 1976-1978 is het molengebouw opnieuw gerestaureerd in opdracht van de Stichting Twickel; in eerste aanleg zonder het schoepenrad. In 1984 kreeg de molen een nieuw waterrad, dat door de Rotaryclub Delden-Borne werd geschonken. In 1989 werd de restauratie van het interieur afgerond.

Vrijwilligers

Sinds mei 1990 houden vrijwilligers de molen in bedrijf. In 2006 was weer een grote reparatie noodzakelijk. Niet alleen de molen, maar ook het molenrad, de kademuren en brug waren aan renovatie toe. Daarnaast moest er vanwege de Arbowet een molenaarshuis worden bijgebouwd; dit verblijf ‘t Möllnhoes, is zo veel mogelijk opgetrokken volgens de oude technieken die bij de molenbouw werden toegepast. Dit zeer grote renovatieproject kon mede dankzij Europese subsidie (Leader+) gerealiseerd worden. Enkele marskramers hebben bijgedragen aan de feestelijke heropening; sindsdien staat een afbeelding van een Kiepenkerle bij de ingang.

Erfgoed

De Noordmolen in werking toont een oud ambacht en geeft een prachtig beeld van oude techniek. Vanuit de molen geeft een venster “Gods Window” de bezoeker een beeld van deze schitterende plek. De meanderende Azelerbeek vloeit noordwaarts langs erve Olieslager, een originele Twickelboerderij met zijn bijenstal en waterput met puthaal en stroomt verder door het coulissenlandschap. De schoonheid van het landschap is ook de routeplanners van de 21e eeuw niet ontgaan. De Noordmolen in 2013 ligt op een knooppunt in het fietsnetwerk Twente. Vele wandelroutes doen de watermolen aan, waaronder het Marskramerpad. Deze laatste wandeling gaat richting Borne door het Bokdammerveld; enkele honderden meters na erve Olieslager en erve Voortman loopt links een wandelpad. Wandelend op dat oude stukje postweg krijgt de wandelaar een idee over de begaanbaarheid de eenzaamheid en de gevaren van wegen van destijds. Komend vanuit het Hannoveraanse rijk wisten de marskramers bij het horen van de heien “we zijn bijna in Delden, de oliemolen is in werking”. Voor hen en voor de fietser en wandelaar van nu is de Noordmolen een plek om even stil te staan.

De oude bedding bleef gewoon bestaan en werd gebruikt als omvloed. De naam van de beek verandert bij de Noordmolen in Azelerbeek. De beek was een belangrijke verkeersader; daarover voerden zompen met hun goederen naar Friesland en het westen van Nederland. Turf voor Stad Delden werd over de Azelerbeek aangevoerd vanuit Vriezenveen. Bij de Noordmolen werd de turf op karren overgeladen omdat de schutten verder varen onmogelijk maakte. De zompen lagen soms op hun beurt te wachten om gelost te worden, zo druk kon het zijn.

Maart 2015  Artikel De Noordmolen X in Hofweekblad

De molenaars van de Noordmolen

De Noordmolen aan het Marskramerspad

De Noordmolen is gelegen op een voormalig ‘verkeersknooppunt’ van (vaar)wegen. Over de oude postweg trokken verse paarden de postkoets (op de markt in Stad Delden werden de paarden verwisseld in het huis met de posthoorn) langs de Noordmolen naar Borne en vervolgens via Oldenzaal naar Hannover. Van de route langs de Noordmolen maakten ook de Kiepenkerle, Tödden/marskramers en Hollandgänger gebruik. Aan hen is in het kader van de Noordmolen serie een afzonderlijke reeks van vier artikelen gewijd.

De voettocht naar Zeeland of Friesland was zwaar, maar de verdiensten waren goed.

Duitse gastarbeiders

De Westfaalse arbeiders wasten zich aan het eind van de week grondig om zondags naar de kerkdienst te gaan. De boerinnen reinigden het vuile ondergoed van hen en zagen, dat de Hollandgänger mooi en sterk ondergoed droegen. Dat mooie linnen weefden de Westfaalse boeren in de wintermaanden thuis en de Nederlandse boerinnen wilden dat ook wel hebben. Al gauw werden ze het over de prijs eens en zo ontstond allengs handel in linnen.

Tödden en Kiep’nkeerls

De kooplui konden hun schop of zeis wel thuislaten en in plaats daarvan linnen meenemen. In de loop der jaren kwamen er meer linnenhandelaren, die later “Tödden” werden genoemd.

De kleine kooplui waren de marskramers, ook wel “Kiep’nkeerls” genoemd; zij droegen een mand op de rug en bezochten de verspreid liggende boerderijen om aan de boerin hun koopwaren aan te bieden. Op zangerige toon vertelden ze wat ze zoal bij zich hadden:

Damesbroeken, muizevallen

Spiegeltjes en piepenrek

Stofkammen, potlood ,spelden, naalden

Brilledozen slim in trek

Onderrok, zwavelstok,

Zalven tegen koude handen

Borden, roemers,veterbanden

Wat j’ook zoeke, altied keur

En ik vroag haast niks daarveur.

Heide boenders, messen, vorken

Beugeltassen, hoorntouw

Priemen, haken, ogen, kurken

Zakdoek met en zonder rouw

Schriefpapier brink’jou hier

Horloges, inkt voor ’t schrieven

Lampepoetsen, kezerieven

Wat j’ook zoeke, altied keur

En ik vroag haast niks daarveur,    (dit zijn 2 van de 10 coupletten)

Migranten

Vanaf het midden van de 18e eeuw en ook in de 19e eeuw vestigden zich heel wat van deze mensen in ons land; herkenbaar nog zijn hun namen, zoals Steinmetz, von Bönninghausen, Böhmer, Dreesmann, Schultheiß, Auerhahn, Bäumer, Müller en Bröerken.

Eind augustus ( de eigen oogst moest binnen gehaald worden) of in ’t midden van december trokken de meeste Hollandgänger terug naar Westfalen om daar het Kerstfeest te vieren. En zo kwamen ze weer langs de Noordmolen.

Omstreeks 1890 kwam abrupt een eind aan de Hollandgängerei, toen in verschillende streken van Duitsland steenkool en ijzererts werd gevonden. Toen trokken meer dan 100.000 Nederlanders naar het Ruhrgebied en Nordrhein Westfalen. Dus een omgekeerde trek!

De nazaten van de vele Hollandgänger

Ook aan de linnenhandel kwam een eind toen de zeeschepen werden voorzien van motoren en er maar weinig linnen werd verkocht, want zeilen waren niet meer nodig.

De rijke Tödden waren op tijd overgestapt op winkels, die spoedig uitgroeiden tot winkelketens en  warenhuizen; denk aan Clemens en August Brenninkmeijer, Peek en Cloppenburg, Vroom en Dreesmann, Lampe,  Voss, Kreymborg, Hettlage , Schweigmann en nog  anderen. Velen vestigden zich definitief in ons land. Anderen gingen op hun oude dag terug naar hun geboorteplaats, zoals Mettingen, Recke, Hopsten en Ibbenbüren, om daar van hun levensavond te genieten..

De namen van deze voormalige Tödden en de zaken, die zij en hun nazaten stichtten, zijn nog altijd zeer bekend en spreken tot onze verbeelding. Veel van deze namen worden vandaag de dag niet meer in verband gebracht met de ambulante handel, die door de vroegere boerenzoons uit Westfalen werd opgezet. Een aantal ondernemingen en winkels is failliet gegaan of onder een andere naam voortgezet; sommige zijn zo ingeburgerd, dat de achtergrond van waaruit ze zijn voortgekomen,  helemaal in de vergetelheid zijn geraakt.

Handelswegen

De routes, die de Hollandgänger gebruikten, waren veelal oude handelswegen, waarlangs ook de postkoetsen reden. Dit waren doorgaans zandwegen, waaraan herbergen lagen waar de reizigers konden overnachten. In veel gevallen zijn die oude routes door de wegenbouwers gebruikt om ze met grint en later asfalt te verbeteren, waardoor zo’n oude Töddenroute een fraaie provinciale weg of zelfs een autobaan is geworden. Gelukkig zijn nog originele paden en zandwegen overgebleven, die bijna altijd door een mooi natuurgebied met bossen, heidevelden en akkers lopen.

Zo ook langs de Noordmolen

De schoonheid van het landschap is ook de routeplanners van de 21e eeuw niet ontgaan. De Noordmolen in 2015 ligt op een knooppunt in het fietsnetwerk Twente. Vele wandelroutes doen de watermolen aan, waaronder het Marskramerpad. Deze laatste wandeling gaat richting Borne door het Bokdammerveld; enkele honderden meters na erve Olieslager en erve Voortman loopt links een wandelpad. Wandelend op dat oude stukje postweg krijgt de wandelaar een idee over de begaanbaarheid, de eenzaamheid en de gevaren van wegen van destijds.

Komend vanuit het Hannoveraanse rijk wisten de Hollandgänger en marskramers bij het horen van de heien “ we zijn bijna in Delden, de oliemolen is in werking”.

Voor hen en voor de fietser en wandelaar van nu is de Noordmolen een plek om even stil te staan. Om te genieten van de fraaie natuur of te overpeinzen hoe duizenden mensen langs deze molen zijn getrokken of om even een kijkje binnen te nemen.

Ook u bent van harte uitgenodigd.

18 maart 2015          Artikel De Noordmolen XI in Hofweekblad

De molenaars van de Noordmolen

Duizenden Westfaalse gastarbeiders in de Republiek

In zijn proefschrift stelt Dr. Jan Lucassen dat jaarlijks zo’n 30.000 à 50.000 jonge mensen, mannen en vrouwen naar het rijke West Nederland trokken. Hun belangrijkste drijfveer was de goede verdienste, maar ook de vrees voor gedwongen dienstplicht in de legers van de koningen van Hannover en Pruisen, was een reden om langere tijd in Holland, Friesland of Zeeland te verblijven.

Noordelijke route Amsterdam en Hoorn

De noordelijke route van de Hollandgänger naar West Nederland liep via Lingen langs de rivier de Vecht naar Zwolle en Kampen. De overtocht over de Zuiderzee werd gemaakt vanuit Hasselt met als eindbestemming Amsterdam of Hoorn. Beide steden hadden havens waar vandaan schepen naar Nederlands-Indië voeren. Amsterdam was de thuishaven voor de schepen van de V.O.C. (Verenigde Oostindische Compagnie), waar velen werk vonden en mannen die ter walvisvangst gingen, monsterden aan in Hoorn.

Duizendpoters

Wie een verre zeereis niet ambieerde, ging werken bij de boeren in Holland en later in het jaar bij de droogmakerijen (Beemster, Schermer, Purmer en Wormer), bij het onderhoud en herstel van dijken, kanalen, havens en vestingwerken; ook brachten ze ingepolderd land in cultuur.  Men noemde hen wel “duizendpoters”, want velen waren ook  goede timmerlieden, metselaars, steenhouwers en stukadoors.

De steenhouwers kwamen uit streken waarin bekende steengroeven lagen.(b.v. Bentheim); deze stenen werden in ruwe vorm van de groeven naar de bouwplaats vervoerd en daar op maat gekapt. Bij grotere huizen, kademuren, vestingwerken en kerken werd deze natuursteen verwerkt; het Paleis op de Dam in Amsterdam is opgetrokken uit Bentheimer zandsteen en in de Domkerk in Utrecht is deze steensoort ook veelvuldig gebruikt.

Vrouwenwerk

De meeste jonge mannen die zich in het voorjaar op weg begaven naar het rijke Friesland , Zeeland of Holland waren ongetrouwd, want voor een huwelijk ontbrak het geld. Aan het eind van de 17e eeuw trokken zij meestal te voet; in latere jaren ondernamen ook jonge vrouwen deze lange voettocht van wel 400 km. Voor hen was goed geld te verdienen als kokkin, kindermeisje, hulp in de huishouding, verzorgster of als blekersmeisje.

Het bleken van linnen was deze jonge vrouwen bekend; thuis werd ook vlas verbouwd waarvan linnen werd gemaakt. Ook rondom de Noordmolen was vlas een van de gewassen die werden verbouwd en van een deel van het vlaszaad werd lijnolie geslagen. Na het werk op de boerderij werd ’s avonds nog enkele uren gewerkt achter het weefgetouw.

Pakhuis

Langstrekkende marskramers en pakkendragers kochten rollen linnen op en verzamelden dit in schuren bij boerderijen.

Zo’n schuur stond ook bij de Herberg van Carel  (Carelshaven bij Delden); in het najaar of de winter, als er genoeg water in de Twickelervaart stond, vervoerden kleine scheepjes (zompen) het linnen naar de rivier de Regge, die weer in verbinding stond met de Overijsselse Vecht, naar Kampen. Daar werd de lading overgeladen in zeeschepen, die het over de Zuiderzee naar Amsterdam vervoerden.

Linnen

Op de Amsterdamse beurs werd het linnen in grote hoeveelheden verkocht aan scheepsbouwers uit Nederland, Engeland, Portugal en Spanje. Ook de zeilen van de grote VOC-schepen werden van linnen gemaakt. Door de harde zeewind en het zoute water scheurden deze zeilen vaak, maar daar hadden zeilenmakers wat op gevonden: de lange lappen linnen werden in lijnolie gedompeld, daarna te drogen gelegd, aan elkaar genaaid en in de juiste vorm geknipt. Deze zeilschepen, galjoenen genoemd, hadden geen witte zeilen, maar een lichtbruine tint van de lijnolie.

Een ander deel van het door de Westfaalse en Twentse boeren geweven linnen werd behandeld in de bleektrog, gewassen en gebleekt met behulp van as, melk en zeep, waarna de zon de lange lappen linnen wit kleurde. Jonge Westfaalse vrouwen wisten hoe dat bleken werkte.

Met name in de buurt van Haarlem waren in de duinen lijnwaadblekerijen waar het gewassen linnen werd uitgespreid, bewaakt door een veldknecht, die er op toezag dat het witte linnen niet werd verontreinigd door vogels; bovendien waakte hij tegen diefstal.

11 maart 2015          Artikel De Noordmolen X in Hofweekblad

De molenaars van de Noordmolen

Op zoek naar werk

In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was met name in Holland, Friesland en Zeeland sprake van grote rijkdom (De Gouden Eeuw). Daar was werk in overvloed en dat werd veelal goed betaald.

De Hollandse handelsgeest had niet geleden tijdens de Tachtigjarige Oorlog en naast de handel met landen rond de Middellandse Zee en de Oostzee werd op kapervaart gegaan en begon de zeevaart op Indië. In steden als Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Middelburg, Veere en Zierikzee kunnen we nu nog de fraaie koopmanshuizen bewonderen, die in deze Gouden Eeuw met de handel zijn verdiend.

Eind maart/begin april trokken vele jonge mannen en enkele jaren later ook jonge vrouwen vanuit Westfalen in grote groepen , want dat was veiliger, westwaarts in de richting van de Noordzee, naar Holland. Al gauw kregen zij de naam van “Hollandgänger”.

Vaak kozen zij enigszins bekende paden, langs opvallende punten in het landschap, zoals windmolens, kerktorens, kastelen of  boerderijen.

Zuidelijke route

Een zuidelijke route leidde langs het Gut Stovern door het Bentheimer Wald naar Schloß Bentheim en vandaar langs de molen van Gildehaus over de Dinkel  naar Twente. Een bekend punt was de Noordmolen, waar je met droge voeten de Oelerbeek kon oversteken;  deze route kreeg al gauw de naam  “Handelsweg” en leidde over het landgoed Twickel naar de Hanzestad Deventer. Duizenden jonge mannen vrouwen trokken in het voorjaar westwaarts op zoek naar werk.  Een noordelijke route ging via Lingen en dan langs de Vecht naar Hasselt en Kampen.

Binnen enkele weken waren de meeste Hollandgänger via de Veluwe, Woerden en Gouda in het westen van ons land, in Holland en hadden dan bijna 400 km te voet op afgelegd.

Overnachten

Onderweg sliepen ze meestal in het hooi bij boeren,  in logementen of kloosters, waar ze  ’s ochtends ook nog een ontbijt kregen. Ze liepen op klompen en droegen een schop of zeis over de schouder; aan de steel van dit gereedschap hing een soort plunjezak met daarin bij vertrek ± 50 hard gekookte eieren, een zij spek, een roggebrood van zo’n 20 pond en een stel schoon ondergoed.

Deze landarbeiders werden in de volksmond “mieren”of “poepen” genoemd; landbouw en veeteelt waren hun niet onbekend, want ze kwamen zelf van het boerderijtje van hun ouders.

4 maart 2015          Artikel De Noordmolen IX in Hofweekblad

De molenaars van de Noordmolen

Gastarbeiders : vroeger en nu

Die term gastarbeider roept associaties op met de komst van arbeiders uit Spanje, Italië, Turkije en Marokko  naar West Europa, dus ook naar Nederland, als gevolg van de sterke economische groei na de Tweede Wereldoorlog

Echter… dit fenomeen bestaat al vele eeuwen !

We gaan terug in de geschiedenis.

 Vrede van Münster

Het jaartal 1648 is beslissend geweest voor de stichting van ons land. Na een periode van 3 jaar onderhandelen in de Westfaalse stad Münster kwam er een einde aan 80 jaar oorlogvoeren tegen de Spanjaarden met het sluiten van de Vrede van Münster.

De provincies Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Holland en Zeeland werden als één land erkend, dat de naam kreeg “Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden”.

Direct na de Vrede van Münster werden de huursoldaten van de prins uit binnen- en buitenland, naar huis gestuurd. Deze “huurlingen” werden alleen betaald als er gevochten werd; was er geen strijd dan kregen ze geen soldij en moest de bevolking hen voeden en onderdak bieden. Ging dat niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Vooral de boeren op het platteland, maar ook de inwoners van dorpen en steden, hadden sterk te lijden onder hun gedrag. Ook Delden is tijdens de Tachtigjarige Oorlog menigmaal geteisterd door plunderende en brandschattende huurlingen. Twee windmolens en ook erve Dubbelink (niet ver van de Noordmolen) werden het slachtoffer. Buiten de versterkte dorpen en steden was het overal onveilig, met tot gevolg : ontvolking van het platteland ! De mensen trokken naar de veilige versterkte steden.

Pas na de Vrede van Münster (1648) werd het platteland iets veiliger !

In Duitsland had de Dertigjarige Oorlog veel slachtoffers gemaakt onder de bevolking en trokken veel plattelanders naar de steden.  De Vrede van Osnabrück (ook in 1648) maakte aan die gruwelijke oorlog een einde. De bewoners van het Westfaalse platteland keerden terug naar hun bezittingen of wat daarvan was overgebleven, herbouwden hun boerderijen, stichtten opnieuw gezinnen en kregen meestal veel kinderen.

Geboortegolf

Ook was er sprake van een geboortegolf  vergelijkbaar met die van na de Tweede Wereldoorlog in ons land. Grote gezinnen met meer dan 10 kinderen waren heel normaal en spoedig diende zich het probleem van voldoende “voeding” aan. Het kleine stukje land van de keuterboeren was meestal erg onvruchtbaar en leverde niet genoeg eten op voor het grote gezin.

De oudste zoon erfde de boerderij, enkele kinderen overleden op jonge leeftijd, sommigen gingen het klooster in en de rest moest maar zien hoe ze aan de kost kwam. Reeds voor hun volwassenheid gingen deze veelal jonge mensen op zoek naar werk. En werk was er en wel langs de kusten van de Noordzee.

Een volgende keer meer over dat werk.

25 februari 2015          Artikel De Noordmolen VIII in Hofweekblad

De molenaars van de Noordmolen