Noordmolen Twickel - Twente vreest voor zijn laatste houtwallen

Twente vreest voor zijn laatste houtwallen

Twente vreest voor zijn laatste houtwallen

Grootschalige landbouw verpulvert de natuur. Lege weides zonder vogels of bloemen, omdat het gras wordt gemaaid en er nauwelijks nog insecten zijn. Een noodkreet uit het oosten.

Noordmolen Twickel - Houtwal - Twente vreest voor zijn laatste houtwallen

Gewoon weggehaald

In de rij bomen aan de Wetering, een dun asfaltweggetje van een kilometer tussen weilanden in Twente, valt een gat. Een boom ontbreekt, als een voortand in een glimlach. Gewoon weggehaald, in alle stilte. Niet dat het uitmaakt, want tegen een gerooide boom protesteert niemand. Op een zonnige namiddag zetten Gerard ten Dam en Johan Veldhuis hun auto stil naast de bomenrij. Een zwarte Mercedes uit 1990 met het cassettedek nog in het dashboard. De auto is van Ten Dam, een man van begin veertig met een rood geruit hemd, de haren redelijk kort en naar boven gekamd. Hij is eigenaar van 200 koeien en jongvee, die hier in het Twentse land staan.

Ten Dam is bevriend met Johan Veldhuis, een geboren Tukker, donkere wenkbrauwen onder grijzende haren, sprekend met langgerekte klinkers. Veldhuis is specialist in groene energie. Maar op dit moment maakt hij zich vooral zorgen over zijn geboortegrond. Vanuit de stilstaande auto kijkt Veldhuis om zich heen. Hij ziet weilanden, bomen, een greppel. Maar hij ziet vooral verwoesting. Weilanden zonder bloemen of koeien. Nauwelijks vogels. De houtwallen ingekort.

‘Bomen worden door boeren gewurgd’, zegt Veldhuis. ‘Voor de schaalvergroting. Gemeentes houden hier geen toezicht op. De controle is nihil.’
Ten Dam: ‘Ze laten het op hun beloop.’
Veldhuis: ‘Straks krijg je hier een polderlandschap.’
Ten Dam: ‘Hoe groter de boer, hoe slechter het natuurbeheer.’

In een weiland rechts van de Wetering stond ooit een houtwal, een rij bomen met struiken ertussen. Een zogeheten landschapselement. In vroeger tijden was zo’n wal de natuurlijke grens van akkers en weilanden. En elke houtwal is een ecosystemen, met schimmels, insecten, planten, knaagdieren en vogels. Zo’n bomenrij huisvest soms honderden diersoorten.

‘Deze houtwal is gewoon weggehaald’, zegt Ten Dam.
Veldhuis: ‘Boeren hebben daar geen vergunning voor. Maar er is hier toch niemand die op ze let.’

Ten Dam mailde eerder dit jaar met de afdeling groenbeheer van de gemeente Borne. Hij had een vraag over het kappen van bomen en bomenrijen in het buitengebied. Een gemeenteambtenaar antwoordde: de verantwoordelijkheid ligt deels bij de gemeentes en deels bij de provincie. Dat is afhankelijk van het aantal bomen dat wordt gerooid. Ten Dam: ‘Niemand neemt de regie.’

De oude Mercedes slingert even later weer door het Twentse land, in het gebied achter Borne. Langs dorpen als Hertme en Saasveld, over de Piepersveldweg en de Lammersboerweg. Weggetjes in het groen, langs bomen en boerderijen. Ten Dam zet zijn wagen weer stil naast een houtwal waarin twee bomen missen.

‘Die inrit is gemaakt middenin het broedseizoen, om met grote tractoren en maaimachines het land in te kunnen rijden’, zegt Ten Dam.
‘Dat mag niet. Maar waar is de handhaving?’ ‘Alles draait om economie’, doceert Velthuis. ‘De grond is 100% gefinancierd. De stal is 100% gefinancierd.’
Ten Dam: ‘Een boer is geen boer meer, maar een medewerker van de bank.’
Veldhuis: ‘En de grondwaarde ligt zo hoog, dat je nauwelijks meer rendement kunt maken. De boeren moeten groeien, of ze vallen om. Zo’n grote boer maakt zich echt geen zorgen over de das of groene specht.’

De verdwenen bomen in het buitengebied symboliseren voor Veldhuis wat er mis is met het platteland. Sinds de Tweede Wereldoorlog is er in Nederland 400.000 kilometer aan landschapselementen verdwenen. Bomen worden gekapt voor ruilverkaveling en schaalvergroting. Akkers moeten groter, de oogsten moeten groter. Dus kraakt het ecosysteem.

Karakteristiek Twents landschap verdwijnt

Ruilverkaveling in het platteland rondom het Twentse Vriezenveen heeft de structuur van het landschap sterk veranderd. Het oude landschap met smalle en lange percelen maakt plaats voor grote, aaneengesloten percelen landbouwgrond. Het landschap in 1930 vergeleken met het landschap in 2010.

Noordmolen Twickel - Vriezenveen 1930 - Twente vreest voor zijn laatste houtwallenNoordmolen Twickel - Vriezenveen 2010 - Twente vreest voor zijn laatste houtwallen

bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Noordmolen Twickel - Nederland - Twente vreest voor zijn laatste houtwallen
****

Veertig jaar geleden wemelde het in Twente van de grassoorten. Nu domineert hier, en ook in de rest van Nederland, het Engels raaigras. ‘In de jaren zeventig en tachtig is steeds meer mest op het land gebracht en is een zeer snelgroeiende grassoort geïntroduceerd en verdween de diversiteit aan kruiden’, concludeerde het CBS dit voorjaar. ‘De laatste tien jaar ontstonden zogenoemde ‘grasakkers’. In de jaren zestig werd het gras vaak maar één tot twee keer gemaaid, tegenwoordig zijn er percelen die in één seizoen vijf of meer keer worden gemaaid.’

Mede daardoor is in in vier decennia het aantal insecten met 75% afgenomen. Dus is er minder voedsel voor vogels. In 2006 waren er 105.000 grutto’s. Tien jaar later nog maar 60.000. Die afname ‘symboliseert het blinde investeringsdrama dat zich op ons platteland voltrekt’. Dat schreef Johan van de Gronden, die tien jaar directeur was van het Wereld Natuur Fonds, in ‘Wijsgeer in het wild’, een essaybundel over mens en natuur.

Hij spreekt over een ‘doorgeschoten economisch systeem’. Van de Gronden waarschuwt: ‘Een melkveehouderij die geen toekomst biedt aan weidevogels stort vroeg of laat in elkaar, bezweken onder externe schuldenlast, bespot om het contrast tussen zijn groene reclames en de zwarte werkelijkheid, geknakt op een uitgeputte bodem van mest en antibiotica.’

Overdreven? Hier, vlak boven Delden, ligt Twickel. Dat is het grootste particuliere landgoed van Nederland. Jarenlang was Albert Schimmelpenninck er rentmeester. ‘Toen ik kwam in 1984, waren nog 100 van de 150 prachtboerderijen actief’, zei hij afgelopen jaar in een afscheidsinterview. ‘Nu zijn dat er 50. Het doet me pijn dat Middeleeuwse erven verdwijnen. De schaalvergroting moet een keer stoppen. Hopelijk vindt mijn opvolger een uitweg.’

***

Zeker twintig vervallen restanten van houtwallen ziet Egbert Jaap Mooiweer elke dag, als hij tussen Deventer en Rijssen over de A1 rijdt. ‘Het oude landschap zie ik nog door de spleetjes van mijn ogen.’ Mooiweer houdt kantoor op het Twickel, met uitzicht op een kasteel uit de zestiende eeuw. Hij is er sinds deze zomer rentmeester. ‘Houtwallen zijn landschapsmonumenten. Het is erfgoed, onze culturele identiteit’, zegt hij. ‘Pak eens een oude kaart en leg die naast een luchtfoto of kaart van nu. De kaart is leeg gewist. Het landschap loopt op zijn achterste benen.’ Op het landgoed trof Mooiweer bij een boer een stal waar sinds 1980 niets meer aan was gedaan. Daar de passen koeien van nu al niet meer in. ‘We hebben enorme koeien gegenereerd’, zegt Mooiweer. Topatleten. ‘Het zijn allemaal Daphne Schippers’.’ Het stoppen van de schaalvergroting is een kolossale opgave. Achter de verschraling van het landschap en de zucht naar groei, schuilt een universum van subsidiestromen, Europese oekazes, de tucht van de wereldmarkt. Wetten, regels en quota’s, politiek, financiën en sentiment. Tot aan het opmeten van perceelranden zijn er richtlijnen. Voor individuele boeren is dat nauwelijks bij te houden.

Maar, zegt Mooiweer: de markt produceert nou eenmaal wat die moet produceren. ‘En dat zijn geen houtwallen.’ Al is Twickel een uitzondering, zegt de rentmeester. Het landgoed heeft een landschapsregeling. Boeren krijgen per strekkende meter houtwal of bosrand een vergoeding. En toch, als we willen dat duurzaam boeren de norm wordt, dan is een drastische wijziging in de financiering van de landbouw vereist, zegt Mooiweer. Begin er eens mee om een deel van het geld van de Europese Unie dat is bestemd voor inkomens voor boeren, over te hevelen naar steun voor het platteland. Dat levert volgens zijn taxaties jaarlijks € 200 mln op, aan te wenden voor het vergroenen van boerenbedrijven.

Een andere suggestie: geef boeren niet zes jaar compensatie voor wat agrarisch natuurbeheer heet, maar 25 tot 30 jaar. Agrarisch natuurbeheer, dat betekent niet maaien voor een bepaalde datum om de nesten van weidevogels te besparen, veel minder mest gebruiken, de begroeiing in de slootkanten laten staan. Dat kost een boer in principe geld. Als hij daar compensatie voor krijgt, loont het voor de boer om toch mee te doen. Maar, zegt Mooiweer: zes jaar subsidie, is een relatief korte termijn. Zeker aangezien boerenbedrijven investeringen moeten voor langere termijn, in bijvoorbeeld land en materiaal. Daar schuilt dus een mismatch. Waar de natuur de dupe van is.

***

De weilanden achter Borne zijn veelal effen akkers met kort gras. Het land is leeg, het gras gemaaid, de koeien staan op stal. Veldhuis weet: sommige boeren ontvangen hier subsidie voor weidemelk, twee cent per kilo van de zuivelfabriek, terwijl hun koeien zelden tot nooit buiten komen – iets dat Friesland Campina overigens ontkent. Maar Veldhuis wijst op de opraapwagens op boerenerven, grote aanhangers bedoeld om het gemaaide gras in te verzamelen. Hij bedoelt maar: dat soort wagens zijn overbodig als de koeien gewoon in de wei staan te grazen. Ten Dam zet de oude Mercedes stil op een zandweggetje. Veldhuis en hij stappen uit. Voor hen ligt een weiland met rode klaver. ‘Dat is mooi. Dat hoef je niet te spuiten’, zegt Veldhuis. Het land grenst aan een akker met mais. ‘Hier stond koolzaad. Maar waarschijnlijk krijgt de boer meer voor het verbouwen van mais.’

Ze rijden verder. Over de Lammersboerweg en de Bosvenweg, waar zomers pensionado’s fietsen om van het landschap te genieten. Toegegeven, groen is het nog wel, hier in Twente. Een streek van hooilanden, beekdalen en boerenerven. Veldhuis ziet verwaarloosde houtwallen, slechte bijpoot en het korte gras.

‘Boeren willen zoveel mogelijk hectares met wat randbeplanting’, zegt hij. ‘We houden hier geen weidevogels meer over.’
Ten Dam: ‘Het bodemleven wordt minder. We gebruiken teveel kunstmest.
Veldhuis: ‘Dit is geen landbouw, dit is industrie.
Ten Dam: ‘Zo hongeren we de vogels gewoon uit.’
Veldhuis kijkt uit het raampje van de Mercedes. Hij ziet groene dekens van weilanden en bomen. ‘Maar met natuur heeft dit niets te maken.’

Minder mensen, grotere bedrijven

Het aantal boeren in Nederland is de voorbije zestien jaar met bijna 43% gedaald. In 2000 waren er nog ruim 97.000 landbouwbedrijven. In 2016 waren dat er bijna 56.000. Dat blijkt uit cijfers van het CBS. Volgens het statistiekbureau is ook de werkgelegenheid fors afgenomen. In 2000 werkten er in Nederland 281.000 mensen op het boerenbedrijf. Afgelopen jaar waren dat 173.000. Dat zijn 108.000 mensen, een stad zo groot als Leeuwarden, die al dan niet gedwongen uit de landbouw ‘zijn gestapt’. Het aantal ‘graasdierbedrijven’, waarvan het gros bestaat uit melkveehouders, is in de afgelopen zestien jaar met 38% gedaald. Ondertussen is het aantal koeien vrijwel gelijk gebleven. Per bedrijf zijn er dus meer koeien, waar minder mensen aan werken: automatisering, en robotisering, in de landbouw. Saillant: op een nagenoeg identieke veestapel, is de hoeveelheid melk in zestien jaar tijd wel met 33% gestegen.

Dit concludeerde het CBS in september vorig jaar: ‘In 2015 had het gemiddelde melkveebedrijf 51 hectare cultuurgrond. Dat is 46% meer dan in 2000. Verder waren er 163 dieren, 57% meer dan in 2000.’ Opvallend is dat er de voorbije jaren nauwelijks melkveehouders failliet zijn gegaan. Maar, zo klinkt het in de sector, veel boeren houden er gewoon mee op. Het is moeilijk opvolging te vinden, zeker als die van buiten moet komen. Veldhuis en Ten Dam werken aan Landhoeve.nl, een zogeheten natuurboerderij van 130 hectare. Alles draait om het behoud van het karakteristieke kleinschalige coullisenlandschap. Daarvoor zijn ze een crowdfunding gestart.

Handgemaakte natuur

Al het Nederlandse bos is door de mens aangelegd. Het laatste overgebleven oerbos, het Beekbergerwoud iets ten zuiden van Apeldoorn, werd in 1871 ontgonnen. Alle bosgebieden en vallen dan ook onder de noemer cultuurlandschap, zo meldt de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

‘Naar schatting is minder dan 3% over van het areaal van de landschapselementen met autochtone bomen en struiken van vóór 1850’, aldus de Rijksdienst in een vorig jaar gepubliceerde Atlas van het landschappelijk groen erfgoed. ‘Ongeveer de helft van de honderd inheemse soorten is thans zeldzaam en meer of minder bedreigd in hun voortbestaan.’

Volgens de Rijksdienst gaat veel groene cultuurhistorie ‘onbedoeld verloren door landschappelijke ingrepen zonder oog voor die cultuurhistorie.’ De oorzaak is al decennia hetzelfde: door het gebruik van kunststoffen en mechanisering in de landbouw, zijn houtwallen en heggen die honderden jaren een praktische functie hadden, in onbruik geraakt,

Dit schreef Johan van de Gronden, toen hij afscheid nam als directeur van het Wereld Natuur Fonds. ‘Ecologen spreken graag over ‘shifting baselines’, daarmee doelend op de korte memorie van de mens die door het snelle verlies aan natuurwaarden om hen heen amper een generatie later een stiefmoederlijke toestand al houdt voor prachtige natuur.’ Zelf was hij nog iets cynischer. ‘Door in louter economische termen te spreken over natuur zijn we zelfs vergeten wat we hebben verloren.’

Bron: Financieel Dagblad
Auteur: Carel Grol

Geplaatst in Algemeen en getagd met , , , .