De molenaar als onbetrouwbare schuinsmarcheerder

De molenaar als onbetrouwbare schuinsmarscheerder

Onbetrouwbare schuismarcheerder

Was de gemiddelde molenaar in het verleden zo’n onbetrouwbare schuinsmarcheerder? Wanneer je in de literatuur op zoek gaat naar de rol die de molenaar in veel boeken vervult, kom je tot de ontdekking dat hij heel vaak in negatieve zin beschreven wordt en dit geldt ook voor diverse spreekwoorden. Hoe komt dit, was de gemiddelde molenaar in het verleden zo’n onbetrouwbare schuinsmarcheerder? Laat ik u geruststellen, het antwoord is nee. Er zullen ongetwijfeld boeven tussen gezeten hebben, maar zeker niet meer dan dat binnen andere beroepen het geval was. Is hier een verklaring voor? Ik denk het wel.

Verleden

In een ver verleden stonden de molens vrijwel altijd buiten de stad en dit in verband met de windvang. Veel steden werden ommuurd en de poort werd ’s avonds uit veiligheids- overwegingen gesloten. Dit had mede tot gevolg dat de molenaar buiten de sociale orde viel. Wat er zich allemaal ’s nachts in en rond de molen afspeelde, was niet te controleren. Daar kwam bij dat korenmolenaars vaak in het donker gingen billen. Er werd dan een kaars op de steen gezet, zodat de groeven waaraan gewerkt moest worden duidelijk zichtbaar waren. Geheimzinnig, dat geluid en bovendien liep er meestal een al of niet zwarte kat in de molen om de overlast van muizen te beperken en zwarte katten betekenden vaak ongeluk. Waren de molenaars daarom ook een onbetrouwbare schuinsmarcheerder?

ln de tijd dat de korenmolenaar betaald werd met graan – hij mocht een klein deel uit ieder zak met graan halen – gingen er verhalen rond, dat hij veel te veel graan uit zo’n zak schepte. Later kwamen er controleurs op de molen kijken om te zien of er op de juiste wijze met het product werd omgegaan.

Zo werd graan, dat als voer voor dieren werd gebruikt, vermengd met zand of aarde, zodat het niet meer voor menselijke consumptie gebruikt kon worden. Korenmolenaars maakten elkaar door middel van de zeilvoering duidelijk, dat er zo’n controleur in aantocht was en daar was uiteraard ook een reden voor. Kortom, redenen genoeg voor praatjes en geroddel.

Enkele voorbeelden

Dat dit soort gedachten zich niet alleen tot ons land beperkten, blijkt uit een tekst die de Engelsman Geoffrey Chaucer (hij leefde rond 1400) in zijn Canterbury Tales opschreef. Even/ honest miller has a golden thumb. True, but it takes a thief to see it! (“Iedere eerlijke molenaar heeft een gouden duim. Waar, maar je hebt een dief nodig om het te zien!”) Hiermee wordt bedoeld, dat de molenaar stiekem tijdens het wegen van het graan met zijn duim op de weegschaal drukt, zodat het lijkt of er meer graan gewogen wordt.

G.A. Bredero (1585 tot 1618) schreef ondermeer “De klucht van de molenaar”. Een klucht is een kort komisch toneelstuk dat veelal na een treurspel of een blijspel gespeeld werd. De bedoeling ervan was om te laten zien wat voor gevolgen slecht gedrag kan hebben. ln deze klucht doet een molenaar een oneerbaar voorstel aan een dame die noodgedwongen in zijn huis moet overnachten. Zoals gebruikelijk loopt alles mis en krijgt de molenaar zijn zin niet, in tegendeel. Ook nu weer is het geen toeval dat een molenaar de hoofdrol speelt. En wat dacht u van de volgende spreekwoorden en gezegden? Hij heeft een klap van de molen gehad. Hij draait met alle winden mee. ’t Hangt als een molensteen om zijn hals. Hij is malende. Met molentjes lopen.

Ondeugende liedjes

Overigens kan de vrouw van de molenaar er ook wat van zoals uit het liedje: Het loze vissertje blijkt. Dit liedje wordt al in 1709 vermeld en begint als volgt:

Des winters als het regent, Dan zijn de paedjes diep, ja diep. Dan komt dat loose vissertje, Al vissen inne dat riet.

Loos wil zeggen ondeugend en uit de rest van dit lied blijkt dat de vrouw van de molenaar minstens zo ondeugend is. Het begrip fils de meunier (molenaarskind) betekende een buitenechtelijk kind. Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Roemer Visscher (1547 tot 1620) schrijft in zijn Sinne-poppen: De prins, de vorst, is voor zijn volk als een mo/en voor het land. Zonder deze zou het onder water raken en vruchteloos liggen.

Laat ik eindigen met een wens die sommigen van u niet onbekend zal voorkomen:

Mijn molenke draait er zo lustig en wel, De schoorsteen rookt daarneven. Ach, was ik toch maar geen vrijgezel, Wat heb ik alleen aan zo’n leven? Ach, trad er een Marieken mijn molenken in, Dan wist ik waarvoor ik mijn broodje win.

 

Uit: Gildebrief 2017-06       Auteur: Carl Doeke Eisma, molenaar te Wassenaar carleisma @planet.nl

Geplaatst in Algemeen en getagd met , , , , , , , .